Dodenlantaarn

Dit hoofdstuk beschrijft het gebruik van een dodenlantaarn na een sterfgeval. Deze werd buiten aan het sterfhuis gehangen, zonder licht, ten teken dat er in dat huis iemand gestorven was en opgebaard lag. In Gemonde was ook een ziekenlantaarn bekend.

Dominee Stephanus Hanewinckel schrijft in zijn 24ste brief uit zijn Reize door de Majorij van ’s Hertogenbosch in den jaare 1799 eerst iets over de aanwezigheid van een strootje voor een sterfhuis, hierna merkt hij op:

Ook zijn er dorpen, waar men, zodra er iemand gestorven is, een grote lantaarn zonder licht buiten aan de deur hangt. Dit zinbeeld vind ik aardig, het schetst, dunkt mij, niet ongepast, dat de lamp des levens van een sterveling is uitgeblust. Van Sasse van Ysselt zegt hierop in zijn Oude begrafenisgebruiken in Noord-Brabant: Het was aardig gevonden van Hanewinckel om in die lantaarn zonder licht het zinnebeeld te zien van een uitgedoofd levenslicht, doch juist gezien was dit daarom nog niet. Althans blijkens De Beknopte Geschiedenis van Eindhoven door F. N. Smits III, is te Eindhoven het gebruik om een lantaarn zonder licht aan het sterfhuis te hangen ontstaan, omdat de Magistraat van die plaats in september 1737, op het voorstel van de drossaard Lormier, op boete van 1 gulden, 10 cent verboden had, dat aan een sterfhuis een brandende lantaarn werd uitgehangen.

Smits zegt letterlijk hierover: Ten jare 1737 in september was drossaart Lormier te Eindhoven. Hij wist…….het volgende besluit uit te lokken: 1. dat er geen kruisjes op deuren, vensters of poorten mochten gezet worden op boete van 1 gl. 10 st. én: 2. dat er aan een sterfhuis geen brandende lantaarn mocht uitgehangen worden op boete als hiervoren.

In de voetnoot zegt Smits: Sedert die tijd hing men aan ‘t sterfhuis ene lantaarn uit, zonder licht, welk gebruik sedert twee à drie jaren in onbruik geraakt is.

Van Sasse van Ysselt beweert tenslotte: Een symbolieke betekenis had alzo de lantaarn zonder licht allerwaarschijnlijkst niet, wel die met licht, daar die toch wel zal betekend hebben, dat de ziel, ofschoon van het lichaam gescheiden, nog voortleefde.

Uit: Van Sasse van Ysselt:

Eindhoven: Vroeger werd er aan het sterfhuis een lantaarn zonder licht uitgehangen, doch deze gewoonte is daar sedert een jaar of tien in onbruik geraakt.( en dan hebben we het over de jaren 1880-1885, B.H.)

De Langstraat: Te Baardwijk, Waalwijk en Besoyen werd aan het sterfhuis uitgehangen voor volwassenen een grote zwarte lantaarn zonder licht, waarop met witte verf een doodshoofd geschilderd is en voor kinderlijken een kleine witte lantaarn, eveneens zonder licht, waarop ook een doodshoofd doch met zwarte verf is geschilderd. Zie afbeelding. Een dodenlantaarn uit omstreeks 1840, in bezit van het Noord-Brabantsmuseum in ‘s-Hertogenbosch.

Deze tekenen werden weggenomen wanneer het lijk het sterfhuis verlaten heeft. Tot voor een jaar of twaalf ( dat was in de jaren 1880-1885, B.H.) was het te Baardwijk niet gebruikelijk om aan het sterfhuis een lantaarn uit te hangen, maar werd daar als teken van overlijden voor het sterfhuis de baar of burrie gezet, waarop de kist naar de kerk en het kerkhof werd gedragen; dat gebruik is sedert dien daar geheel afgeschaft. In de Klopkei kunnen we lezen dat de Waalwijkse Gemeenteraad besloot in 1828 om het neerzetten van een baar voor de huizen te verbieden. Als alternatief bood het gemeentebestuur een zwarte lantaarn aan met daarop geverfd een doodshoofd. In Baardwijk was het tot ongeveer 1885 in zwang om een draagbaar voor het sterfhuis te plaatsen, daarna gebruikte men ook daar de lantaarn.

Tot zover Van Sasse van Ysselt.

De volgende bijdrage is van Jeroen van Oss: Gebruiken rond sterven en begraven in Waalwijk en Besoyen, uit De Klopkei. Aan een huis waar een kind was overleden, in Besoyen, placht men een witte lantaarn op te hangen waarop drie zwarte doodshoofden geschilderd waren. Een soortgelijke lamp van een groter formaat diende als teken bij het overlijden van een vrouw. Bij het sterven van een man gebruikte de Besoyenaars een zwarte lantaarn met drie zwarte doodshoofden.

Het gebruik van de dodenlantaarn was echter vrij zeldzaam. In de voorafgaande tekst hebben we al gezien dat de doodslamp behalve in Besoyen ook voorkwam in Waalwijk en Baardwijk, aldus Van Sasse van Ysselt. Jeroen van Oss in De Klopkei: De Waalwijkse gemeenteraad besloot in 1828 om het neerzetten van een baar voor de huizen te verbieden. (In Waalwijk was het kennelijk gebruikelijk om een baar voor een sterfhuis te zetten in plaats van een strooike, B.H.) Diezelfde gemeenteraad nam, ook in 1828 het besluit om het plaatsen van een baar voor sterfhuizen pas kort voor de eigenlijke begrafenis toe te staan. Als alternatief bood het gemeentebestuur een ‘zwarte met daarop geverfde doodshoofde lantaarn.’ In Baardwijk was het tot ongeveer 1885 in zwang om een draagbaar voor het sterfhuis te plaatsen. Daarna gebruikte men de lantaarn.

Volgens Jeroen van Oss in De Klopkei: voor Besoyen is niet de invoering maar wel het einde van de doodslantaarn bekend. De lamp zou bij de begrafenis van ‘Gekke Janus’ , in 1914 het laatst gebruikt zijn. Het was tijdens de mobilisatie in de Eerste Wereldoorlog en er waren militairen in Besoyen ingekwartierd. Toen de soldaten de lamp ontdekt hadden, waren zij ermee gaan voetballen. Uiteindelijk bleef de lamp gekneusd in een sloot liggen. Niemand nam de moeite om hem er weer uit te vissen.

In deze tijd bestond er geen speciale lamp meer voor vrouwen, kinderen of ongehuwden. Het enige exemplaar werd waarschijnlijk door de koster verhuurd.

Ook zagen we eerder in dit hoofdstuk dat de dodenlantaarn bekend is geweest in Eindhoven. Verder kwam de doodslantaarn voor in de West-Brabantse plaatsen als Gilze, Dongen, Alphen, Baarle-Nassau, Molenschot en Zundert.

Waarom werd de doodslantaarn als teken van sterven voor een sterfhuis de vervanger van de doodsbaar? Jeroen van Oss geeft een simpele verklaring. Argeloze voorbijgangers liepen het gevaar om bij nacht over een neergezette lijkbaar te struikelen. Bovendien gaf zo’n obstakel aanleiding tot baldadigheden.

In het knipselarchief Mandos bevindt zich deze anonieme mededeling: Te Dongen wordt naast de deur van het sterfhuis een lantaarn zonder licht geplaatst. Als de overledene gehuwd is, wordt de lantaarn met repen gekleurd papier versierd.

H.L. Kok geeft in zijn prachtige werk Thanatos, de geschiedenis van de laatste eer, nog wat informatie over de dodenlantaarn. Het gebruik van een lantaarn als uiterlijk teken van rouw aan een sterfhuis heeft over ons gehele land plaatsgevonden, doch het schijnt zich langs de Ijssel het langst te hebben kunnen handhaven. In Deventer werd zo’n lantaarn vrij algemeen gebruikt tot 1831, toen er een begraafplaats buiten de stad werd aangelegd en er verandering ontstond in verschillende rouwgebruiken.

Ik weet niet waar Kok deze gegevens vandaan heeft, waarom zou je geen dodenlantaarn meer gebruiken vanaf het moment dat er een kerkhof buiten de stad wordt aangelegd? Dit even terzijde!

Volgens de gegevens hebben enkele, aan traditie gehechte personen, nog tot ongeveer 1850 dit gebruik volgehouden. Zo spoedig mogelijk na het sterven werd in een winkel voor twee schellingen, een gulden of een daalder een lantaarn gehuurd. De lantaarn werd naast de deur gehangen, en wel aan die kant waar de kerk of het kerkhof lag waar de dode begraven zou worden. Aan de lantaarn hingen enkele linten, zwart voor een gehuwde en zwart (rouw), wit (onschuld) en groen (hoop) voor een ongehuwde. Vervolgens vertelt Kok dat hij een lantaarn in Zwolle heeft gevonden in een depot van een museum, waaraan nog de resten zaten van vier zwarte, vier witte en vier groene zijden linten. Het was burenplicht om de lantaarn ’s morgens op te hangen en ’s avonds af te nemen en in het sterfhuis te plaatsen. De linten werden later aan de dienstboden van het sterfhuis geschonken. De lantaarn bezat geen kaars en zelfs geen kaarshouder.

In Het maatschappelijk leven onzer voorvaderen in de zeventiende eeuw, door G. Schotel staat een afbeelding van een graflantaarn, pag. 393, met een duidelijke bronvermelding.

Na een sterfgeval : men begon met de gordijnen af te nemen, de vensters te sluiten, de buurt door de maert of de knecht het overlijden te laten aankondigen, hier een grote of kleiner lantaarn, naarmate de ouderdom van de gestorvene, met een uitgebluste kaars erin. Zulk een lantaarn vindt men afgebeeld in de Adamsappel van J. van der Veen 1669, pag. 197: Uit deze volgende versregels kun je opmaken dat er geen kaars hoorde in een dodenlantaarn:

Het is een oud gebruik in Deventer de stede En bij de Ijsselstroom meer ander plaatsen mede Dat, waar in enig huis een dood’ is of een lijk Werd uitgehangen een lanteerne tot een blijk Ik zegge zonder keers, of enig licht van binnen Wat zulks beduiden wil, kan ieder haast verzinnen Verhuist is ’s levens licht, vertrokken is de ziel Gans ijdel is de romp van ’t gunt hem onderhiel’.

Als bron voor deze tekst diende de Overijsselse Almanak, uitgebracht te Deventer in 1846-1847.

Een ziekenlantaarn. Behalve van een dodenlantaarn was er ook sprake van een ziekenlantaarn. In Brabants Heem, jrg. XI, 1959 kunnen we lezen over zo’n lantaarn die bekend was in Gemonde, aldus H. Mandos in zijn bijdrage: Een ziekenlantaarn uit Gemonde. Ik geef slechts een samenvatting. Dit is een voor drie kaarsen bestemde lamp, welke in Gemonde gebruikt werd indien iemand voorzien was van de laatste H. Sacramenten. Drie dagen en nachten bleef deze lantaarn aan de gevel van het huis van de zieke hangen. De logische vraag is: is de ziekenlantaarn alleen bekend (geweest) in Gemonde? En: heeft het gebruik van de ziekenlantaarn zich ontwikkeld uit het gebruik van de dodenlantaarn of andersom? Hier de afbeelding van de Gemondse ziekenlantaarn, deze is 60 cm hoog en heeft een doorsnede van ongeveer 30 cm.

 

Ga naar boven