Stro

Dit hoofdstuk is slechts het begin van de beschrijving van de betekenis en gebruik van stro in begrafenisrituelen. Er wordt in de literatuur hierover veel gesuggereerd, veel gefilosofeerd en veel gefantaseerd. Ik wil uiteindelijk, na uitgebreid literatuuronderzoek, met een gedetailleerd en feitelijk verhaal komen over de betekenis van het gebruik van stro als onderdeel van het begrafenisritueel.

Voorlopig kunt u het doen met de volgende, toch al interessante informatie over dit boeiende onderdeel van het begrafenisritueel.

Inhoud

1. Stro en besmettelijke ziekte
2. Roggestro
3. Stro in de kerk
4. Wat gebeurde met het stro
5. Kruiswegen

1. Stro en besmettelijke ziekte

Van Sasse van Ysselt: Het gebruik om een strobos voor het sterfhuis te plaatsen is waarschijnlijk ontstaan toen men door een uitwendig teken in de tijden van besmettelijke ziekten, het publiek wilde waarschuwen, dat er iemand aan een aanstekelijke ziekte overleden was. Zo doet de overheid thans nog ( en dan gaat het over het einde van de 19de eeuw, B.H.) als iemand lijdende is aan ene besmettelijke ziekte of daaraan is overleden, zoals bijvoorbeeld aan de roodvonk, door op het huis, waar dit plaatsgrijpt, te plakken een biljet,waarop staat: Besmettelijke ziekte Roodvonk.

Nota bene: behalve de pest en roodvonk, was ook dysenterie ofwel rode loop een beruchte besmettelijke ziekte die ook consequenties had voor de gebruikelijke begrafenisgebruiken van die tijd. We lezen in Rituele Repertoires: Op 12 september 1676 werd het ten grave dragen door de buren in de stad Eindhoven door de magistraat verboden in verband met de besmettelijke ‘rode loop’ (dysenterie). Dit werk diende in het vervolg te geschieden door bevoegde lijkdragers.

Janssens zegt in zijn artikel: Oorsprong en betekenis van het lijkstro het volgende over de pest: Het oudste getuigenis van deze zo geduchte en vraatzuchtige ziekte is van 1315. Volgens Janssens’ redenering was het verplicht om een teken aan ’t huis aan te brengen waarin iemand aan de pest was overleden. Dit om verdere besmetting te voorkomen. Alleen de mensen die de lijken moesten afleggen mochten naar binnen. En dat teken kon zijn een bussel stro. Toen de pest eenmaal onder controle was bleef dit gebruik bestaan om een huis waarin iemand gestorven was te markeren met een bussel stro of een strooike. Janssens verklaart waarom er vanaf de lijkwagen af en toe stro werd gegooid: Dit laatste wellicht een voorzorgsmaatregel uit de pesttijd, om te waarschuwen dat een besmet lijk was voorbij gevoerd en deze lijkweg met voorzichtigheid te betreden was.

Dominee Stephanus Hanewinckel schreef in zijn 24ste brief uit zijn ‘Reize door de Majorij van ’s Hertogenbosch in den jaare 1799, het volgende: Men heeft verder de gewoonte op sommige dorpen, dat, als er een lijk in huis is, terstond de deuren en vensters gesloten worden; op andere plaatsen legt men een bos stro, met enige stenen er op, voor de deur; dit stro is met zwarte leren banden bij elkaar gebonden, maar zo de dode ongehuwd is, dan zijn er witte en zwarte linten om gebonden. Op voorname plaatsen is dit stro zeer netjes gemaakt en men kan die bossen huren, zoals te ’s Bosch, waar dit verhuren van die strobossen alleen een voorrecht is van het Hervormd Weeshuis. Naar aanleiding van dit voorrecht lezen we in Rituele Repertoires: In de 19de eeuw had het gereformeerde burgerweeshuis in Den Bosch niet meer het alleenrecht op de strootjes-verhuur. Katholieke ingezetenen konden daarvoor voortaan ook terecht bij het rooms-katholieke weeshuis. De strootjes van beide instellingen herkende men aan de letters ‘G.W.H.’ en ‘R.W.H.’ die op de kop van de plankjes waren aangebracht en die verwezen naar respectievelijk het Gereformeerd en het Roomsch Weeshuis. Op deze wijze kreeg ieder weeshuis zijn eigen strootjes terug en konden passanten tevens zien of het een katholieke of een gereformeerde dode betrof. Het personeel van de weeshuizen haalde de strootjes ’s avonds binnen om ze de volgende dag weer op te stellen. Dit gebeurde net zo lang totdat het lichaam begraven was. Er kwam een tijd dat veel oude begrafenisgebruiken, waaronder het plaatsen van de strootjes, verdwenen. Dit gebeurde op het moment, 1 januari 1860, dat het stedelijk kerkhof in Orthen in gebruik werd genomen. Dit kerkhof ligt een flink eind buiten het centrum van Den Bosch. Maar behalve het weglaten van strootjes voor een sterfhuis veranderde er nog meer. Van Sasse van Ysselt hierover: Ook was het niet meer nodig dat de parochiegeestelijke een dag voor de begrafenis gewijde grond op het lichaam en in de kist kwam strooien. Tijdens dat bezoek aan het sterfhuis bad de priester bij de geopende kist- in het bijzin van verwanten, vrienden en buren- en hield hij soms een korte predicatie. Voor 1860 beschikte men immers binnen de stad niet over gewijde begraafplaatsen en mocht de kist met het lichaam niet binnen de kerk worden gebracht.

Nu gaan we Van Sasse van Ysselt weer volgen in zijn Oude begrafenisgebruiken In Noord-Brabant.

Een anecdote over een strooike in Den Bosch in een geschreven reisverhaal uit 1741: De verteller van dit reisverhaal verhaalt over iets dat hij in de stad waarneemt: een teeken, dat men gewoon is te leggen voor de huyzen, daer imant boven aerden staet. Bedoeld wordt dan: een bos riet met swarte banden gebonden en daer eenige roode steenties op, kort of lang nadat de overledene oud of jong is.

Bokhoven: Zodra iemand overleden is, wordt voor het sterfhuis stro plat uitgespreid en daarop worden dan 4 bakstenen plat neergelegd in de vorm van een kruis.

Cuyk en omstreken: De twee naaste buren gaan de overledene lijken: Het lijk van een volwassen man wordt geschoren en ontkleed, een schoon hemd wordt aangedaan en het lijk wordt op stro gelegd met een wit laken erover heen. De buren worden lijkers genoemd.

In de kom der gemeente Sint Oedenrode bestaat ook nog de gewoonte dat, als er iemand sterft, voor het sterfhuis op zijde van de voordeur boven op elkaar geplaatst worden twee netjes rond gemaakte strobossen, elk ter dikte van een been en gebonden in drie zwarte leren riemen, teneinde het stro bijeen te houden; de riemen van de bovenste bos zijn gehaald door die van de onderste om ook de bossen aan elkaar te doen blijven; tegen de onderste worden aan de straatzijde gezet zwart geverfde en naar beneden schuin uitlopende plankjes en wel 5 wanneer het geldt het lijk van een volwassen persoon en 3 als het betreft een kinderlijk; deze bossen met plankjes worden geleend door de klokkenluider. In de buitenwijken van St. Oedenrode wordt voor het sterfhuis enkel en alleen wat stro bezijden de voordeur uitgespreid met dien verstande, dat het van de straatzijde schuins oploopt; betreft het een kinderlijk, dan worden er in ene rij 5 bakstenen plat en kops opgelegd; staat het sterfhuis een eind van de weg af, dan wordt het stro op de kant van de weg tegenover het sterfhuis uitgespreid en worden dan daar de stenen kops er opgelegd. Te Eerde en te Boekel wordt een enkel bos stro, die met strowissen vastgebonden is, voor het sterfhuis geplaatst en schuins daartegen worden aan de straatzijde 3 bakstenen op hun kop gezet.

Hier een tekening van Bernard van Dam, gepubliceerd in zijn: Oud-Brabants dorpsleven, wonen en werken op het Brabantse platteland. De luiken zijn gesloten en voor het sterfhuis liggen 5 stenen op stro, ook tekende Van Dam5 zwart geverfde plankjes op een strobundel.

’s-Hertogenbosch. In dit verhaal over stro worden 3 afbeeldingen getoond en beschreven. Het zijn m.i. de oudste en bekendste afbeeldingen van deze strootjes. Ze komen voor in de publicatie van Van Sasse van Ysselt: Oude begrafenisgebruiken in Noord-Brabant, 1897.

Dit is een strootje voor een overleden gehuwd persoon. Het zijn 2 bossen stro die op 2 lage houten voetjes staan, de lengte van het strootje is 86 cm en elke bos is 30 cm dik. Om elke bos zitten 5 zwarte leren riemen. Op de bovenste bos liggen 5 zogenaamde stenen, die in werkelijkheid houten plankjes zijn. Op de kop van deze ‘stenen’ , houten plankjes ,staan de letters: R.W.H. voor Rooms Weeshuis en G.W.H. voor Gereformeerd Weeshuis. Zoals al eerder gememoreerd: bij deze weeshuizen kon je een strootje huren. Langs beide zijden van het strootje staan dergelijke plankjes in schuine richting tegen de onderste bos aan. Om het geheel te steunen staan langs elke kant van het strootje tegen de bovenste bos in schuine richting twee houten latten, met aan ’t einde een ijzeren punt.

In het blad Het alledaagse leven, tradities en trends in Nederland, deel 5, 2009. Rouw en rustplaats, over de dood, staat een foto van de reconstructie van bovenstaand strooitje:

 

Dit is een strootje voor een overleden jongeman of jongedochter, het heeft dezelfde samenstelling als bovenvermeld strootje, toch zijn er wat verschillen. Elke bos heeft slechts een lengte van 70 cm en een dikte van 25 cm en er zijn slechts 3 riemen gebruikt. Zo zijn er ook drie ‘stenen’ op de bovenste bos en aan elke kant 3 plankjes schuin gezet tegen de onderste bos. Het verschil met het strootje voor volwassenen is dat de 3 leren riemen omwonden zijn met zijden linten met op het einde een strik. Je kunt aan zo’n strootje zien of het om een mannelijk of vrouwelijke overledene gaat: Bij een overleden jongeman is het middelste lint wit en de twee buitenste zwart, bij een jongedochter is het middelste lint zwart en de twee buitenste wit.

 

Dit is een strootje dat gebruikt werd voor een overleden kind. Ook dit strootje heeft dezelfde opbouw als de twee eerder genoemde In verhouding is alles wat kleiner, het gaat immers om een overleden kind. De lengte van deze bossen is 44 cm en de dikte is 16 cm.

De Langstraat: Als teken van overlijden wordt te Vlijmen, Nieuwkuik en Drunen wat stro voor het sterfhuis uitgespreid en daarop in één rij kops gelegd, voor lijken van gehuwden 5 en voor lijken van ongehuwden 3 bakstenen.

Sint Michielsgestel: Hier wordt een onderscheid gemaakt tussen een dode bij de boeren en een dode bij de burgers. Voor het sterfhuis worden als teken dat er een dode is, bij de boeren twee netjes in elkaar gedraaide bundels stro, elk ter lengte van ongeveer een halve meter, boven op elkaar gezet; die bossen zijn gebonden met 3 zwarte linten, wanneer een gehuwd persoon en met 3 witte linten wanneer een ongehuwd persoon boven aarde staat; zij worden geplaatst tegen het sterfhuis of een boom. Tegen dit strootje worden schuins drie metselstenen op de kop gezet en twee erboven op gelegd. Bij de burgers wordt voor het sterfhuis gezet een strootje dat van de koster geleend wordt. Het bestaat uit 2 op elkaar geplaatste bossen riet, die netjes samengevoegd zijn en aaneengebonden in voege als voormeld. Door de bossen worden aan de kanten in de grond gestoken twee ijzeren pinnen om ze overeind te laten blijven staan. Aan de straatzijde worden daartegen schuins geplaatst drie zwart geverfde plankjes, die naar beneden breed uitlopen, terwijl op de bovenste bos worden gelegd twee dergelijke plankjes en wel in dier voege dat zij komen te liggen tussen de boveneinden der schuin daartegen aangezette drie plankjes. Geldt het een kinderlijk dan worden tegen dit strootje maar twee plankjes schuins gezet en wordt daartussen op de bovenste bos maar één plankje gelegd.

Het stro dat bij de boeren voor het sterfhuis heeft gestaan, wordt niet meer gebruikt maar na de begrafenis in een nabij gelegen sloot geworpen, alwaar men het laat vergaan.

Oss en omstreken: Het strooike wordt voor het sterfhuis geplaatst door een zijner verste familieleden, bijv. een achterneef, met een der naaste buren, welke beiden de bidders worden genaamd. Dat strooike bestaat uit twee op elkaar staande bosjes stro, waartegen aan weerszijden twee of drie zwart geverfde plankjes met een wit randje voorzien schuins worden gezet. Was de dode ongehuwd dan worden op het bovenste bosje drie groene takjes, meestal hulsentakjes, gestoken, waaraan witte en zwarte lintjes gebonden zijn. De lintjes zijn gekleurd, als de overledene nog maar een kind was.

Oirschot en omstreken: Ook wordt, zodra het overlijden heeft plaatsgehad voor het sterfhuis een kruis van stro gelegd en daarop in het kruispunt een metselsteen plat neergelegd. Was de overledene ongehuwd, dan worden er om de steen heen palmtakjes in de grond gestoken, waaraan gekleurde strookjes papier als wimpeltjes bevestigd zijn.

Schijndel: Hier plaatst men tegen het huis, waar een lijk boven aarde staat, in schuinse richting twee zwart geverfde en op enige afstand van elkaar staande stokken, waarop met tussenruimte van een decimeter van elkaar, dwars gebonden zijn twee bossen stro, ter dikte van een mansarm en ter lengte van een oude el. De stokken, waarop zij gebonden zijn, staan zo dicht bij elkaar, dat de bossen met hun uiteinden er overheen steken. Om elk der bossen zijn drie brede, zwarte banden genaaid. Tegen de onderste bos, die zich ongeveer een decimeter boven de grond bevindt, staan in schuine richting naast elkaar, als het geldt het lijk van een volwassene, vijf en als het geldt het lijk van een kind drie zwart geverfde, langwerpig vierkante plankjes.

In Thanatos, de geschiedenis van de laatste eer, vond ik een afbeelding van een strooike uit Schijndel. Als commentaar staat bij de afbeelding: Bosje stro, lengte 40 cm en doorsnee 10 cm, met drie rouwbandjes. Werd bij de hoofddeur (straatzijde) neer gezet. Reconstructie te Schijndel. Tilburg. Onmiddellijk na het overlijden wordt voor het sterfhuis geplaatst een sierlijk afgesneden bos stro ter lengte van ongeveer een halve meter en ter dikte van plm. 15 à 20 centimeter of wel een rond hout met dezelfde lengte en dikte, dat als stro geverfd is; de bos stro is met twee zwarte riempjes vastgebonden. Tegen die bos of dat hout worden aan weerszijden schuins gezet langwerpige plankjes, die bruin geverfd zijn en op elk waarvan een zwart kruisje geschilderd is, en wel 4 plankjes aan de voor- , 4 aan de achterkant en aan elk der zijkanten. Boven op de bos wordt gelegd een plankje, waarop rechthoekig staat een ander plankje, dat de vorm van een doodshoofd heeft en in de kleuren daarvan geschilderd is; daaronder staat geschilderd: bid voor mij. ’s Avonds wordt dit teken van overlijden in het sterfhuis gehaald om er de andere morgen weer voor gezet te worden tot aan de begrafenis toe. Aan de bos hangen ook nog zwarte lintjes, als een getrouwd en witte lintjes als een ongetrouwd lijk boven aarde staat.

Den Dungen: Voor het huis , waar het lijk van een volwassene boven aarde staat, plaatst men hier een teken dat bestaat uit twee bossen stro, die op elkaar gelegd zijn en welke elk de dikte van een jongensarm hebben. Om de bovenste bos zijn gebonden drie strikken van papier, waarvan de middelste wit en de beide uitersten zwart zijn. Door de beide bossen zijn in schuinse richting gestoken twee houten pinnen, zodat de bossen op elkaar kunnen blijven liggen en tegen de onderste vier bakstenen kops kunnen worden gezet; daartoe zijn de pinnen zo lang gemaakt dat de onderste bos ter lengte van driekwart baksteen van de grond verwijderd blijft. Tegen deze bos worden 4 bakstenen in schuine richting naast elkaar gezet; van weerszijde van die stenen steken de bossen slechts een klein eindje uit. Om meerdere steun aan ’t geheel te geven, wordt de bovenste bos van achteren nog geschraagd door twee stokjes. Geldt het een kinderlijk, dan zijn de bossen iets smaller en staan er tegen de onderste bos slechts drie bakstenen. Om de bovenste bos bevinden zich dan geen rouwstrikken, doch er zijn van boven palmtakjes in gestoken, die waaiersgewijze uitgespreid en geheel voorzien zijn van kleurige bloemen en snippers van papier.

Volgens onze heidense voorouders had het stro de eigenschap om boze geesten te weren en daarom hebben zij strobossen voor het sterfhuis geplaatst, om de boze geesten van de overledene af te keren. Er was nog een gebruik, o.a. te Boxmeer e.o. om aan de kruiswegen de strowissen te leggen waarop de lijkkist gestaan had tijdens het vervoer van het lijk op de kar naar het kerkhof.

Hier een, helaas niet zo duidelijke, afbeelding van een strooike bij het huis van een overledene op de Berkelseweg in Udenhout. De afbeelding staat in een artikel in Brabants Heem, jaargang XII, 1960: Oude begrafenisgebruiken te Udenhout. Het strooike bestaat uit een langwerpig rolletje stro, met daar tegen aan 5 zwarte plankjes.Bovenop staat een zwart vierkant plankje waarop een wit doodshoofd is geschilderd. Dit strooike duidt aan dat er een volwassene is overleden. Aldus J.F. Maas, de auteur van het zojuist genoemde artikel in Brabants Heem.

Niet algemeen
Het gebruik om stro voor het sterfhuis te plaatsen schijnt in Noord-Brabant niet algemeen te zijn geweest. Zo bestond het volgens P.N. Panken o.a. niet in het Noord-Brabantse Kempenland. In ‘Ons Volksleven’, 1896, pag. 18 zegt hij hierover: De gewoonte om lijkstro voor het huis van een dode te leggen beschouwen sommigen als een zwak overblijfsel van de lijkbrand van onze heidense voorouders, te meer daar, nog niet vele eeuwen geleden, dit lijkstro na de begrafenis verbrand werd. Stro weerde de betovering en tot in de 13de eeuw spreidde men het op de vloer om de gebouwen daartegen de beveiligen. Anderen zoeken de oorsprong van het lijkstro in de gewoonte, die tot voor enige jaren algemeen te Bergeyk en zelfs te Luiksgestel en omstreken nog kortelings bestond om doden op stro neer te leggen. De zegswijze op stro liggen betekent wellicht van dáár, dood zijn.

Het gebruik van een strootje voor een sterfhuis was ook bekend in Westvlaanderen. Van Coppenolle schrijft hierover in zijn bijdrage in Volkskunde in 1951: Uitvaartgebruiken in Westvlaanderen. In 1946 zag hij voor een sterfhuis een strooien kruis. Hij omschreef het als volgt: Het kruis was gevormd uit 16 bussels gedorsen roggestro; iedere arm van het kruis bestond dus uit 4 bussels netjes op elkaar geschikt, de ledige halmen naar het middelpunt gelegd, de stoppels schoon effen gesneden; elke bussel was tweemaal gebonden en op elke kruisarm stak een palmtakje.

Ga naar boven

2. Roggestro

We hebben hiervoor al de diepere betekenis van het stro met betrekking tot begrafenisrituelen gezien. Maar het gebruik van stro had ook nog een weliswaar verrassende maar niet minder rationele betekenis. Dat blijkt uit het volgende hoofdstuk in de bijdrage van Van Coppenolle in Volkskunde, 52ste jaargang, 1951: Stro in de kerk. In sommige gemeenten van Westvlaanderen wordt, bij de begraving van een hooggeplaatst, adellijk persoon de kerkvloer belegd met roggestro, dat gedorsen is met de vlegel. Van Coppenolle haalt aan dat dit nog gebeurde in 1948 bij de uitvaart van een oude gravin en zegt hij: het was sedert 1867 aldaar niet meer voorgekomen. Bij de uitvaart van een adellijk persoon werd er stro gelegd aan beide zijden langs de weg van de kerk naar het kerkhof. De pachters van de burggraaf waren verplicht dit te doen. Na de begrafenis werd alles weggenomen.

Janssens vermeldt in zijn Oorsprong en betekenis van het lijkstro uit 1952 het volgende: De gewoonte een stervende of afgestorvene op stro te leggen is reeds lang verdwenen; het openspreiden van gekamd stro of glei in de kerk rondom de lijkbaar bij begrafenissen, bestaat nog wel, doch het wordt een zeldzaamheid en dit gebeurt nog enkel bij uitvaarten in sommige adellijke families.

Ga naar boven

3. Stro in de kerk

Je zou al gauw geneigd zijn hier strikt symbolische waarde aan te hechten, dat is echter niet juist. Van Coppenolle citeert uit: Koudekerke, in kerkelijk leven, Brugge 1947 van de hand van Michiel English: Waar men goed voor zorgde in de oude tijd, was voor het bedekken van de koude kerkvloeren. Kerkvloeren kunnen ijzig koud zijn. Zo wordt beschreven dat in een kerk te Brugge de vloer met grote matten wordt bedekt in de wintertijd. Dit schijnt dan een oeroud systeem te zijn. De gebruiken van de Benedictijnen in Cluny schrijven voor de kerkvloer te bestrooien met stro in de winter, voor de warmte; met groen en meien in de zomer voor de frisheid.

Het gebruik van stro op de kerkvloer was al bekend in het begin van de 17de eeuw en gold niet alleen voor een lijkdienst. Het werd ook gedaan op Kerstavond, met de Advent, Vasten, Palmzondag, Pasen en Pinksteren.

Van Coppenolle beweert dat het bestrooien van de kerkvloer met stro in de grote lijkdiensten nog gedaan werd in 1870 en met eigen ogen heeft hij het gebruik nog gezien in Gent, kort vóór 1914.

Over dit gebruik , om stro in de kerk te strooien o.a. bij een uitvaart lees je niet veel, je komt het niet veel tegen in de literatuur over begrafenisgebruiken. Alleen P. N. Panken schrijft er terloops over in zijn Volksgebruiken en gewoonten in Noord-Brabant uit 1898: Bijna overal waar het gebruik bestaat stro vóór een sterfhuis te leggen, wordt door een bijzonder teken aangeduid of de dode man of vrouw, jonkman of jongedochter ofwel kind is. Het bosje stro vóór het lijkhuis wordt tijdens ofwel onmiddellijk na de begrafenis weggenomen. Bij de uitvaart van adellijken in België, was geheel de vloer van de kerk met stro bedekt.

Renée Hirsch bespreekt in haar proefschrift Dodenritueel in de Nederlanden vóór 1700 , het gebruik en de betekenis van stro bij begrafenisrituelen. Het gebruik van stro bij het dodenritueel berust m.i. op twee geheel verschillende voorstellingen en betekent: 1. een reminiscens aan de brandstapel; 2. een afweermiddel tegen boze geesten, respectievelijk de ziel van de afgestorvene.

P. N. Panken schrijft in 1898 in zijn Volksgebruiken en gewoonten in Noord-Brabant: De gewoonte om lijkstro vóór het huis van een dode te leggen, beschouwen sommigen als een zwak overblijfsel van de lijkbrand van onze heidense voorouders, te meer daar, nog niet vele eeuwen geleden, dit lijkstro na de begrafenis verbrand werd. Stro weerde de betovering, en tot in de 13de eeuw spreidde men het op de vloer, om de gebouwen daardoor te beveiligen. Anderen zoeken de oorsprong van de lijkstro in de gewoonte, die tot over enige jaren hier algemeen en zelfs te Luiksgestel en elders nog kortelings bestond, om doden op stro neer te leggen. De zegswijze op stro liggen betekent wellicht van dààr, dood zijn. Niets was ook natuurlijker dan stro te bezigen tot een teken, dat wederom een medemens in zijn laatste rustplaats nederlag.

Schrijnen zegt in Nederlandse Volkskunde dat men vroeger en ook thans nog de dode, wanneer hij afgelegd werd, van het bed op het stro legde, en dat deze gewoonte als algemeen verspreid te beschouwen is. Vandaar de uitdrukking: van het bed op het stro komen, wat wil zeggen: van kwaad tot erger vervallen. Wanneer een lijk werd afgelegd heette dat ook : van het bed op het stro komen. In Limburg sprak men overigens van schoofstro en in België van reeuwstro.

Dit stro, ook wel beddestro genoemd, werd onder de kist op de lijkwagen geplaatst. Hiervan werd dan op de viersprongen (plaats waar boze geesten en die der afgestorvenen zich bij voorkeur ophouden), op weg naar het kerkhof, een hoeveelheid afgenomen, om 4 strowissen te maken. Op elk der 4 wegen werd dan een strowis geworpen; zodat de terugkerende geest niet meer weet van welke weg hij gekomen is, zegt het volk. Maar klaarblijkelijk is het stro ook hier een afweermiddel. Als bewijs hiervoor: bossen stro aan de deur van het sterfhuis en men strooit het op de weg naar het kerkhof alwaar het dient om de dode het terugkeren naar huis te verhinderen.

Boxmeer e.o.: Ook was het tot voor een dertig jaren geleden ( dat was dan rond 1865, B.H.) gebruikelijk, dat als de kar van het kerkhof naar het sterfhuis terugreed, de bosjes stro, die daarop onder de kist gelegen hadden, teneinde haar niet te doen schokken, bij het passeren van een kruisweg aldaar op de kant van een sloot werden geworpen en daarin bleven liggen, totdat het stro vergaan was. Het gebruik van bosjes stro langs de kruiswegen te werpen werd reeds een jaar of dertig geleden (rond de jaren 1865, B.H.) door het toedoen der R.K. geestelijkheid afgeschaft.

Ga naar boven

4. Wat gebeurde met het stro

  • Het stro werd op de boerenkar gelegd en daar boven op de lijkist, op weg naar het kerkhof.
  • Het stro werd na de begrafenis vernietigd. Men verbrandt het omdat de geest van de overledene zich aan ’t stro zou kunnen hechten.
  • Men liet het stro vergaan.

5. Kruiswegen

  • Aan de kruiswegen houden de zielen verblijf.
  • Op kruiswegen wierp men wat stro vanaf de kar waarop de kist stond, dat bleef daar liggen totdat het vergaan was. De ziel van de overledene zal zich neerzetten op dit stro en wordt zo verhinderd naar huis terug te keren om de overlevenden lastig te vallen.
  • Ook legde men twee strowissen kruiselings over elkaar op de kruiswegen om de ziel te beletten naar huis terug te keren, want de dode keert altijd langs dezelfde weg terug die de lijkstoet volgde.
  • Men legt op elk van de vier wegen van een kruisweg een bosje stro, zodat de ziel niet meer weet van welke kant zij gekomen is. Gewoonlijk kiest men een andere weg om terug te keren, na een begrafenis, om de ziel van een overledene te misleiden. Zo gaat de begrafenisstoet op de heenweg links van de kerk, langs de rechterkant op de terugweg.
Ga naar boven