Gewoontes bij kerkhof en graf

In de tijd waarover we het nu hebben, was er nog geen sprake van cremeren. Na de uitvaartmis werd het lijk naar het kerkhof gebracht. Ook hier waren weer rituelen. Er was dikwijls op dorpen een vaste, vaak eeuwenoude lijkweg die liep van de kerk naar het kerkhof. Opmerkelijk was de begrafenis van een zwangere vrouw (‘n gravida); vooral aan het graf was te zien dat de overledene zwanger was.

Inhoud

1. Inleiding
2. Begraven in de kerk of op het kerkhof
3. De lijkweg
4. Het graf van een kraamvrouw
5. De doodgraver

1. Inleiding

We gaan nu Marcel Portegies volgen in zijn boek Dood en begraven in ’s-Hertogenbosch, 1629-1858. In Nederland ontstonden vanaf 1750 op ethische en hygiënische gronden bezwaren tegen het begraven in kerken. Langzamerhand begon het idee in te burgeren, de doden buiten de kerken, of nog liever buiten de bebouwde kom, te begraven. De meeste begraafplaatsen in Nederland lagen direct rond de kerken, die in de regel midden tussen huizen lagen. Hierdoor konden de meeste kerkhoven niet of nauwelijks uitgebreid worden. Vooral aan het einde van de 18de eeuw werden veel kerkhoven te klein en werd men gewaar dat zij nadelig voor de volksgezondheid waren. Met name na epidemieën braken vaak 2 à 3 jaar later ziekten uit, in de omtrek van de kerkhoven. Desondanks kon de overheid het volk nauwelijks bewegen om buiten de bebouwde kom te begraven.

Koning Willem I verbood middels een Koninklijk Besluit in 1827, het begraven in de kerk en in de bebouwde kom van steden of dorpen met meer dan 1.000 inwoners. Er werd voor sommige plaatsen een uitzondering gemaakt, echter: Op 26 maart 1829 volgde een Koninklijk Besluit waarbij de stadsbesturen onmiddellijk werden gelast kerkhoven buiten de stad aan te leggen. Maar vooral in ’s-Hertogenbosch legde men zich niet zomaar neer bij dit besluit. Het aanleggen van een kerkhof buiten de bebouwde kom scheelde veel inkomsten voor de katholieke en hervormde kerkgenootschappen! Bovendien had volgens de kerkmeesters van de Sint Jan het begraven buiten de stad als nadeel dat het zeer kostbaar was en vooral in de winter, als de waterstand hoog was, zeer moeilijk zou zijn.

Het stadsbestuur van Den Bosch legde haar bezwaren om een kerkhof te moeten aanleggen buiten de stad neer bij Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant en deze instantie verwees het stadbestuur naar Koning Willem I en deze gaf de stad Den Bosch een jaar uitstel om een kerkhof buiten de stad te leggen. Dit speelde zich af in 1830.

Om een lang verhaal kort te maken en dat lang verhaal wordt uitstekend beschreven door Marcel Portegies: De ommekeer in het denken van het stadsbestuur over de sluiting van de kerkhoven in de stad kwam in 1849. Het is inmiddels wel opmerkelijk hoelang het stadsbestuur van ’s-Hertogenbosch het Koninklijk Besluit van 1829 wist te omzeilen c.q. uit te stellen of voor zich uit te schuiven!

In 1849 werd ’s-Hertogenbosch getroffen door een cholera-epidemie die 220 slachtoffers eiste. Het is vanzelfsprekend dat het begraven van slachtoffers van de zeer besmettelijke cholera binnen de bebouwde kom en dan met name in het Sint-Janskerkhof niet de voorkeur had uit oogpunt van de gezondheid van de stadsbewoners. Vooral in de zomer veroorzaakte het een stank waar de stadsbewoners in de omgeving van het kerkhof erg veel last van hadden. Door de vele slachtoffers van de cholera-epidemie ontstond er acuut ruimtegebrek in deze begraafplaats aan de voet van de Sint Jan. Toen nam de druk op het stadsbestuur om een kerkhof buiten de bebouwde kom aan te leggen uiteraard toe. Wat de provinciale overheid in geen jaren had kunnen bereiken, zette de cholera-epidemie van 1849 wel in gang: de sluiting van de kerkhoven in de stad en de aanleg van een nieuwe begraafplaats buiten de bebouwde kom. Met de aanleg daarvan werd pas in 1857 begonnen, daarmee was ’s-Hertogenbosch een van de zeer weinige plaatsen in Noord-Brabant geworden waar nog binnen de bebouwde kom werd begraven. Op 20 mei 1858 werd de nieuwe begraafplaats te Orthen, een gemeente even ten noorden van ’s-Hertogenbosch, geopend. Vanaf deze datum verbood het stadsbestuur alle begrafenissen elders binnen de gemeente. Als gevolg hiervan werd op 19 mei 1858 de laatste dode op het kerkhof van de Sint Jan ter aarde besteld.

Tot zover Marcel Portegies in zijn hoofdstuk 11: ‘De sluiting van het kerkhof’.

Op de begraafplaats in Orthen stuitte ik in december 2011 op het familiegraf van Van Sasse van Ysselt. Sterk verwaarloosd en bedekt door Hedera. Ik heb eerst flink wat gesnoeid en toen een foto van de grafsteen gemaakt. De schrijver van Oude begrafenisgebruiken in Noord-Brabant, een bijdrage uit 1896 en zo rijkelijk geciteerd in dit hoofdstuk van mijn website, was A.F.O. van Sasse van Ysselt. Van Sasse van Ysselt is de naam van een adellijk geslacht dat oorspronkelijk uit Utrecht komt. In de 19de eeuw werd de familie in de Nederlandse adel verheven. Alexander Frederik Oscar van Sasse van Ysselt  werd in Waalwijk geboren op 20 april 1852 en verongelukte in Interlaken op 6 augustus 1939. Aldus wat summiere gegevens van Wikipedia. Hij trouwde niet en staat dus alleen op de grafsteen tussen andere familieleden.

Ga naar boven

2. Begraven in de kerk of op ‘t kerkhof

Grolman zegt hierover in: Volksgebruiken bij sterven en begraven in Nederland: Tegenwoordig, (dat moet dan zijn rond 1923; toen publiceerde Grolman haar bijdrage over ‘Volksgebruiken bij sterven en begraven in Nederland’ B.H.) wordt in Europa algemeen op kerkhoven begraven, die zoveel mogelijk buiten de steden liggen, op het platte land daarentegen liggen oude kerkhoven gewoonlijk om de kerk of in de nabijheid ervan.

Hier een tekening van een begrafenis in de Noord-Brabantse plaats Someren. De kist is van de boerenkar gehaald en wordt door de dragers, op de schouders richting kerkhof en graf gedragen. Het is een tekening van J. de Beyer uit 1738 en bevindt zich in het Noordbrabants Museum te ‘s-Hertogenbosch. Bron: Rituele Repertoires, volkscultuur in oostelijk Noord-Brabant 1559-1853, 1994, Gerard Rooijakkers.

Het begraven in kerken kwam in zwang op het einde van de 5de eeuw. Eerst lieten de geestelijken zich in de kerk begraven, welk voorbeeld door de aanzienlijken gevolgd werd. Reeds in 797 verbood Karel de Grote het begraven van leken in de kerken en liet hij kerkhoven aanleggen. Aan dit verbod werd niet zo de hand gehouden, het scheelde ook extra inkomsten voor de kerk. Pas veel later, in 1828, kwam het formele verbod om iemand in een kerk te begraven, voor die tijd was het slechts een kwestie van geld geweest. Na de begrafeniswet van 10 april 1869 behoort het begraven in kerken voor goed tot het verleden. In Nederland zijn dan ook omstreeks 1830 de kerkhoven buiten de steden aangelegd. Zie de gegevens hierover in de inleiding van dit hoofdstuk.

Ga naar boven

3. De lijkweg

Een interessant fenomeen is de zogenaamde lijkweg. Grolman zegt hierover: Al voeren er meerdere en kortere wegen naar het kerkhof, zo zal steeds slechts één, die hiervoor van ouds is aangewezen gebruikt worden. Elk dorp had vroeger (wanneer was dat dan? B.H) zijn lijkweg, al was er een kortere toch bleef men steeds de lijkweg volgen. Er zijn straatnamen in gemeentes bekend die nog aan een lijkweg doen denken: de Dodesteeg, de Lijkenweg, de Dodedijk en ’t Dooienstraatje om er maar enkele te noemen. Gewoonlijk kiest men een andere weg om terug te keren om de ziel van de overledene te misleiden, opdat hij de familie niet volgen zal. Het was in Sleen in Drente bekend dat de begrafenisstoet op de heenweg links van de kerk gaat, terwijl hij langs de rechterzijde terugkeert.

Schrijnen, deel I, Nederlandse Volkskunde: Na de begrafenisplechtigheden in de kerk, of wel terstond vanaf het sterfhuis, wordt de kist op kar of wagen gezet en rijden zwarte paarden de dode ter laatste rustplaats. De naaste buurman moet het lijk rijden, en de regel geldt, dat wie de bruidswagen rijdt, ook de doden ter rustplaats moet brengen. De te volgen weg, die volgens oude gewoonte voor iedere buurt en hoeve vast staat is in Overijssel, Drenthe, Gelderland, Friesland algemeen de lijkweg, ook wel noodweg of reeweg genaamd. Hij wordt uitsluitend genomen bij het doopsel, huwelijk en begrafenis.

Of lijkwegen ook in Noord-Brabant bekend zijn geweest weet ik niet, in Twente werd er nog gebruik van gemaakt tot ca. 1950. (Uit: Thanatos, de geschiedenis van de laatste eer.)

Door het gebruik van lijkauto’s en ook door het verleggen van wegen tengevolge van ruilverkavelingen zijn er geen lijkwegen meer, althans niet meer als zodanig gebruikt.

Ga naar boven

4. Het graf van een kraamvrouw

Dominee Hanewinckel schrijft in zijn negende brief o.a. over een graf met een bijbehorende paal met gegevens van de overledene en een graf van een kraamvrouw: Ik keerde van Zon (hier wordt natuurlijk het huidige Son bedoeld, B.H.) over Nunen weder terug naar Helmond, bezag nog eens de ruïne van de kerk en toren op het laatste dorp, en zag op het kerkhof (dit heb ik nog nergens, zo ver ik weet gezien) bij ieder graf een paal, waarop de naam van de overledene en de tijd van zijn overlijden gesneden is, en somtijds erbij: bid voor de ziel. Sommige graven waren versierd met drie groenen kronen, en op één graf zag ik een witte vierkanten doek liggen, waarop aan de vier hoeken stenen lagen: wat of dit toch betekent? Dit moet ik toch weten, zeide ik bij mij zelven. De eerste man die mij niet ver van het kerkhof ontmoete vraagde ik wat dit toch was. Dit betekent zeide hij, het graf van ene kraamvrouw, en zulk ene vrouw wordt ook altijd door vrouwen gedragen en begraven; de vrouwen hebben dan ook altijd de voorrouw. Gij moet weten dat in de Majorij zowel vrouwen als mannen het lijk ter begraving vergezellen. Wat er geheimzinnigs of bijgelovigs in die vierkanten doek was, dit konde of wilde (hij scheen zich te schamen) hij mij niet zeggen. De met kronen versierde graven waren van ongetrouwden. De ongehuwde staat is heiliger dan de gehuwde, dus moesten die doden ook in uitmuntender graven liggen. Aldus Dominee Hanewinckel.

We gaan nu eens kijken wat Van Sasse van Ysselt over dit onderwerp heeft opgetekend in zijn Oude begrafenisgebruiken in Noord-Brabant.

Vroeger bestond te Budel e.o. ook nog het gebruik, dat thans (hier wordt bedoeld, op het einde van de 19de eeuw, B.H.) echter is afgeschaft, dat als een vrouw ten gevolge van haar bevalling gestorven was, op haar graf een witte doek uitgespreid werd die daarop gedurende enige tijd bleef liggen. Deze witte doek bleef net zolang liggen tot zij vergaan was.

De Kempen. Ook bestond daar vroeger het gebruik, waarvan de betekenis mij (bedoeld wordt Van Sasse van Ysselt) tot nu toe niet is kunnen blijken, om op het graf ener kraamvrouw neder te leggen een witten doek, met stenen op de vier hoeken. Elders (bij Schrijnen, pag. 341) lezen we dat deze doek blijft liggen tot deze helemaal verteerd is.

Ook Hirsch geeft nog interessante informatie over begrafenissen van gravidae. En nog in de 17de eeuw werd een vrouw, die in het kraambed gestorven was, door zwangere vrouwen ten grave gedragen, in de hoop op een gemakkelijke verlossing.

Deze informatie over overleden gravidae ben ik nooit tegengekomen in de literatuur over begrafenisrituelen.

Grolman geeft ook nog informatie over een overleden kraamvrouw. En verwijst naar Uit Friesland’s Volksleven van Waling Dijkstra. Voor een kraamvrouw speldt men een wit laken over het zwarte lijkkleed (dat lag over de lijkkist, B.H.). Hieraan ligt de zeer verspreide gedachte ten grondslag, dat de ziel van een kraamvrouw zeer gevaarlijk is, daar zij in het volle leven, niet verzwakt, gestorven is. Dus is zij ontevreden, valt steeds de levende mensen lastig en vooral de aanstaande moeders, waarop zij jaloers is. Let wel op; we hebben het hier nog steeds over de zíel van de overleden kraamvrouw! Daarom legt men als waarschuwing het witte laken over het zwarte heen.

Tot zover de informatie over het graf van een kraamvrouw.

We volgen Van Sasse van Ysselt weer:

Het gebruik om het lijk in diervoege in het graf te plaatsen dat de voeten naar het oosten gekeerd zijn, vindt men in alle katholieken landen; het staat in verband met de leer der Katholieke Kerk omtrent de opstanding en betekent dat de overledene, die met het gelaat naar de opgang der zon gekeerd is, de hoop heeft ener zalige opstanding en de verwachting des Groten Rechters. De lijken der priesters worden daarentegen volgens de gebruiken der Katholieken kerk in een tegenovergestelde richting begraven; in die richting stond toch de priester bij zijn leven voor het altaar als hij tot de gelovigen sprak: ‘de Heer zij met u’ en hun de zegen gaf en in die stand verwacht hij na zijn overlijden de komst van de Heer om Hem rekenschap te geven over de kudde die aan zijne zorg was toevertrouwd. Ook het gebruik om het graf met drie kruisen te tekenen zal verband gehouden hebben met het gebruik der Katholieke Kerk dat de priester de lijkkist, alvorens die in het graf gelaten wordt, driemaal met het kruis tekent onder het uitspreken der woorden: ‘Ik teken dit lichaam met het teken des H. Kruises, opdat het in de dag des oordeels verrijze en het eeuwig leven bezitte door Christus onze Heer’.

Bokhoven: Wordt het lijk van een ongehuwde op de dag der begrafenis ter kerke gedragen, dan gaat iemand de begrafenisstoet voorop met een paar palmtakjes in de hand, die in de vorm van een kruis op zijn graf worden geplant. Is het graf van de overledene dicht gemaakt dan maakt de grafmaker daarop in de grond drie kruisen met zijn schop.

Budel: Zodra toch de priester aan het graf de gebeden geëindigd heeft, keren allen die aan de stoet deelnamen, nog voordat het graf gedicht is, naar de kerk terug om daar voor de overledene de Kruisweg te bidden. Is het graf gedicht dan gaan zij weer naar het kerkhof om op het graf vijf ‘Onze Vaders’ voor de overledene te bidden.

Cuyk e.o.: Is de kist in het graf gelaten dan maken de volgers een omgang om het graf en gaan daarna in de kerk voor de overledene bidden. Er is een tijd geweest dat de lijkstoet, één, twee of drie keer langs het geopende graf loopt. Oorspronkelijk ging men drie maal rondom de kerk maar als het kerkhof te ver van de kerk was aangelegd ging men rondom het kerkhof, een voor een achter de baar aan.

Erp e.o.: Wanneer het lijk van de kerk naar het kerkhof wordt gedragen, gaat de doodgraver voor de kist met een kruis in de hand, dat op het graf zal worden geplant. Het is ook bekend dat de doodgraver in de lijkstoet loopt met een omgekeerde schop. Zowel mannen als vrouwen gaan mee naar het kerkhof, de mannen blootshoofds. Tijdens dat de kist in het graf wordt neergelaten, liggen allen geknield om het graf; de kist wordt daarin zo geplaatst dat de voeten van het lijk naar de kerk gekeerd zijn. Zodra de kist in het graf is neergezet maken alle leden van de stoet daaromheen een rondgang.

St.Michielsgestel e.o.: Na het offeren in de kerk: Hierna geschied in de kerk de oefening van de Kruisweg, terwijl inmiddels de baar met de lijkkist aan de kerkdeur blijft staan, waarheen zij na het eindigen van de dienst gedragen is. Na afloop van de Kruisweg begeven allen, ook de vrouwen zich naar het kerkhof, alwaar de kist in de groeve wordt neergelaten. Vroeger bestond het gebruik dat de kaarsen welke tot de lijkdienst gebezigd maar niet opgebrand waren, door de koster op het kerkhof gebracht werden, alwaar de bloedverwanten van de overledene , die van andere plaatsen kwamen, er elk een tot zich namen en naar de kerk hunner woonplaats brachten met verzoek aan hun pastoor om voor de overledene te bidden.

Oss e.o.: Is het lijk in het graf gelaten dan trekt de stoet, met de bidders voorop, rondom het graf en gaat dan weer de kerk in om er de Kruisweg te bidden. Het graf wordt inmiddels dicht gemaakt en daarboven maakt de doodgraver met handvat van zijn schop drie kruisjes in het zand.

Oirschot e.o.: Is de kist in het graf gelaten dan gaat de stoet om het graf en gaat de familie in de kerk de Kruisweg bidden. Hierna is het koffietafel.

Tilburg: Na de dienst in de kerk gaan alleen de mannen naar het kerkhof en wel te voet, slechts in de heel geringe stand is het gebruikelijk dat ook de vrouwen mee naar het kerkhof gaan, de anderen blijven in de kerk totdat de mannen van het kerkhof terugkomen.

De Kempen: De buurmeisjes sieren ook daar het lijk van een kind en zijn graf op, de graven der ongehuwden worden er eveneens opgesierd. Voor de teraardebestelling pleegt men daar het lijk eens of meermalen om de kerk of om het kerkhof te dragen.

Tot zover Van Sasse van Ysselt.

Nu een eigenaardig gebruik uit de provincie Zeeland, beschreven door Grolman. Op verschillende dorpen in Zeeland gaan de dragers met de hoge hoed op, de eerste zondag ná de begrafenis naar de kerk, de familieleden de daarop volgende zondag, men noemt dit: de rouw naar de kerk dragen. Nu volgt een mijns inziens een eigenaardige conclusie: Dit zou een overblijfsel zijn van de oude reinigingsgebruiken.

We volgen weer dominee Stephanus Hanewinckel, nu in zijn 17de brief uit zijn ‘Reise door de Majorij van ’s Hertogenbosch in den jare 1798. Bij de begraving legt men de lijken altijd oost en west in het graf; stopt het graf dicht; maakt drie kruizen in het zand op het graf; en dit verricht zijnde, gaat de ganse lijkstaatsie enige reizen al biddende rondom het graf, en als men heen gaat, buigt men zich een weinig voor hetzelve.

In Schrijnen lezen we: In de groeve wordt het lijk georiënteerd, d.i. met het gelaat naar het oosten gericht, een gekerstend heidens gebruik, dat plaatselijk nog stand houdt; immers het oosten was de lichtzijde, maar Christus is het licht, in het oosten is Christus verrezen, in het oosten ligt het paradijs, in het oosten zal Christus verschijnen ten oordeel. Voorwaar nogal wat redenen om een lijk met het gezicht naar het oosten te begraven, lijkt mij!

Uit: Van Dam, Oud-Brabants dorpsleven: Na afloop van de H. Mis werd het lijk in dezelfde volgorde door de stoet naar het kerkhof geleid, terwijl de klok luidde totdat de kist gezonken was; na afloop begaven allen, uitgezonderd de dragers, zich ter kerke voor het bidden van de Kruisweg, die door de rouwleider werd voorgebeden. Daarna begaf de hele stoet zich naar het sterfhuis.

Ga naar boven

5. De doodgraver

De doodgraver had behalve het maken van een graf nog een belangrijke taak. Hij hield de begrafenisregisters ofwel doodboeken bij. Ik vond een belangrijke bijdrage hierover in Taxandria van de hand van W.A. van der Donk: ‘Uit oude doodboeken van een Brabants dorp’ en bedoeld wordt Rosmalen. Als de doodgraver het de moeite waard vond beschreef hij niet alleen wie er gestorven was en wanneer, maar voegde hij er wat interessante gegevens bij. Dit was voor Van der Donk aanleiding om in zijn bijdrage in Taxandria op te merken: Vaak ook zijn de door de doodgraver nagelaten gegevens een treffende bevestiging van de algemeen bekende feiten der historie of vormen daarvan een aardige illustratie. Van der Donk trof: menige interessante en vermeldenswaardige bijzonderheid aan, met name in het op 21 october 1773 eindigende Doodtboeck van Rosmalen beginnende met de maand Mey 1748. Er was ook nog een register van het dorp Rosmalen waarin was aangetekend de dag waarop iemand begraven werd in de kerk of op het kerkhof. Wat je niet of zelden zult aantreffen in een begrafenisboek is de doodsoorzaak van de overledene, een uitzondering hierop zijn de gevallen van cholera en zijn of haar beroep, met uitzondering van hooggeplaatste personen! Of Van der Donk het hier juist heeft heb ik niet nagegaan en hou hier dus een slag om de arm!

Het voert natuurlijk te ver om hier dieper op in te gaan, voor de liefhebber heb ik de tip om eens het BHIC in ’s-Hertogenbosch te bezoeken, daar vind je al dit interessants!

De doodgraver liep dikwijls in de lijkstoet mee, met omgekeerde schop. In sommige streken van Nederland, Achterhoek en Bredevoort, spreidde de doodgraver het zwarte doodslaken over het graf uit, dat later door armen of het weeshuis weggehaald mocht worden.

Op het einde van de begrafenisplechtigheid op het kerkhof was het dikwijls de doodgraver die de aanwezigen bedankte voor hun aanwezigheid. Hij nodigde de aanwezigen uit voor het dodenmaal in het sterfhuis en hij vroeg om een geldelijke bijdrage voor de armen, die kon gelegd worden in een schaal bij de uitgang van het kerkhof.

Ga naar boven