Lijkstoet

Op de dag van de begrafenis wordt het lijk op een baar naar de kerk gedragen in de lijkstoet. Was een gestorvene een ongehuwd persoon dan moesten de dragers ook ongehuwd zijn. Was de gestorvene gehuwd, dan gold dit ook voor de dragers. Als het sterfhuis te ver van de kerk lag, dan werd de doodskist op een boerenkar, meestal een hoogkar, naar de kerk gereden. De naaste buurman van de overledene stelde zijn paard en wagen ter beschikking voor de uitvaart. Er is een tijd geweest dat de weduwe en eventueel haar dochters op of bij de kist gingen zitten, dus op de boerenkar, op weg naar de kerk. Dit gebruik bestond niet meer omtrent 1850.

De lijkstoet had een merkwaardige samenstelling: onmiddellijk achter de kist ging het naaste mannelijke familielid van de overledene. Hierna volgden de verdere mannelijke familieleden, vrienden en buren en dan pas kwamen de vrouwen. De vaste regel in een begrafenisstoet was: mannen voor vrouwen en jong voor oud. De lijkstoet had dezelfde samenstelling als men van de kerk naar het kerkhof ging. Met dien verstande dat in sommige gemeentes de gewoonte heerste dat alleen de mannen naar het kerkhof gingen en de vrouwen achterbleven in de kerk. Als de mannen terugkwamen in de kerk, baden ze met z’n allen de Kruisweg en gingen hierna op weg naar het sterfhuis voor, wat wij tegenwoordig noemen, de koffietafel. Over deze afsluiting van een begrafenis volgt een apart hoofdstuk.

Inhoud

1. Het lijk wordt uit het sterfhuis gedragen
2. Het lijk wordt vervoerd van het sterfhuis naar kerk en kerkhof
3. Het zitten op of bij de lijkkist op de boerenkar
4. Het paard en de boerenkar
5. De samenstelling van de lijkstoet
6. De lijkstoet en begrafenisgebruiken in ’s-Hertogenbosch
7. De huilebalk in een begrafenisstoet
8. Literatuurlijst

1. Het lijk wordt uit het sterfhuis gedragen

Uit: Van Sasse van Ysselt:

Erp: Bij de begrafenis wordt het lijk met de voeten naar voren uit het sterfhuis gedragen door de vier naaste buren; is het lijk van een gehuwd persoon dan doen dit vier getrouwde en anders vier ongetrouwde mannen.

Oss: Voordat de kist het sterfhuis verlaat bidden alle aanwezigen 5 Onze Vaders, die door de bidders worden voorgebeden. Op de buurtbijeenkomst ten sterfhuize was ook reeds uitgemaakt wie als voordragers van het lijk zouden fungeren. In de regel werden er vier dragers aangesteld die dit gratis moesten volbrengen als buurplicht en enkel voor het vertrek uit het sterfhuis een paar borrels kregen aangeboden. Goed gesitueerden lieten van 6 tot 8 dragers aanstellen,maar in dit geval moest aan elk van hen een ruime fooi worden uitbetaald. Voor een afgestorvene die getrouwd was geweest werden getrouwde, voor ongetrouwde personen ongetrouwde dragers aangesteld, terwijl een kinderlijkje door schoolgaande buurjongens werd gedragen. Hier een lijkstoet met alleen mannen! Zeer uitzonderlijk, waar zijn nu de vrouwen, in de kerk?

Bernard van Dam: ´De naaste buurman moest ook zijn paard en hoogkar beschikbaar stellen voor het vervoer van het lijk. Op de morgen van de begrafenis kwam het grootste gedeelte van de te lijk komende familieleden in het sterfhuis bij elkaar. De naaste buurman die bij de bespreking van de verschillende buurplichten de leiding had gehad zou dan verder tot aan het graf als rouwleider fungeren, d.w.z. hij zou verder in alles de lijkstoet vooraf gaan. Voor het verlaten van het sterfhuis werd de doodskist nog een keer geopend voor hen die nog een blik op de overledene wensten te werpen., waarna 5 Onze Vaders en 5 Weesgegroeten voor diens zielenrust werden voorgebeden door de rouwleider, na afloop waarvan de stoet uittrok en zich in beweging zette.´

H.Grolman: ´Men draagt het lijk met de voeten vooruit het huis uit, daar de geest, die alleen maar vooruit kan zien, anders de deur zien zal en terugkeren. Om hiervoor niet bevreesd te moeten zijn draagt men in vele streken het lijk niet door de dagelijks gebruikte deur uit. Bij de boerenhuizen gebruikte men in het dagelijks leven gewoonlijk alleen de achterdeur, zodat de voordeur gesloten bleef, deze werd alleen geopend bij bijzondere gebeurtenissen zoals de begrafenis, later ook bij huwelijk en doop. Indien nu de geest terugkeert zal hij de deur waardoor hij uitgedragen is gesloten vinden en het huis voorbijgaan. In dit verband kennen we begrippen als lijkdeur, ook wel dood- of sterfdeur genaamd. Het lijk werd ook wel door het raam naar buiten gedragen en soms werd een gat in de muur gemaakt waar het lijk door naar buiten ging, deze opening werd later weer dichtgemetseld.´

Voeten naar voren
We hebben eerder in dit hoofdstuk gezien dat het gewoonte was dat het lijk met de voeten naar voren uit het sterfhuis wordt gedragen. In verband hiermee wil ik een welhaast lugubere en bijna ongelofelijke passage plus bijbehorende voetnoot naar voren halen uit het werk van G. Schotel: Er waren lijken die met het hóófd vooruit het sterfhuis uit werden gedragen op weg naar het graf: wijl lijken van hen, die zich zelven om het leven hadden gebracht of door beulshanden gestorven waren, met het hoofd vooruit naar het graf werden gevoerd. Een bij deze passage aangehaalde voetnoot vertelt het volgende: Het was ook een overoude gewoonte dat hij, die van een moord werd beschuldigd, naar het lijk werd gebracht. Hij moest dan twee vingers op de mond, de wonden en de navel des vermoorden leggen en in deze houding zijn onschuld bezweren. Schuimde dan het bloed uit de wonde of uit de mond, dan was hij schuldig, gebeurde zulks niet, onschuldig.

Dragers
Nog iets over dragers. Zo kwamen er in de 17 de eeuw ook betaalde dragers voor. Deze bezoldigde lijk- en lantaarndragers moesten zich een uur voor het uitdragen van het lijk, aan het sterfhuis melden. En in de 17de eeuw, toen de bloeitijd der gilden voorbij was, vormden zich, vooral in Amsterdam en Den Haag corporaties waarvan de leden onderlinge hulp verleenden bij begrafenissen. Hieruit kun je dus al concluderen dat er al in de 17de eeuw sprake was van een meer georganiseerde vorm bij uitvaarten en dat vooral in steden, dit in tegenstelling tot de plichten van buren op het platte land.

Dominee Stephanus Hanewinckel schrijft in zijn 15de brief van zijn Reize door de Majorij van ´s Hertogenbosch in den jaare 1799 een aardige anecdote over dragers in Oss. Ik vernam ook ene bijzondere plechtigheid, bij het begraven der doden hier in gebruik. Als het lijk uit het huis op de doodsbaar, die voor de deur staat, gedragen is, knielen de dragers rondom dezelve neder, prevelen hun gebed voor de rust van de ziel des overledenen, en brengen onder het bidden gedurig een glas jenever aan elkanderen toe, en zuipen al biddende, om te scheuren, zodat zij zeer dikwijls, dronken en waggelende het lijk naar het graf brengen. Het is te verwonderen, dat zij niet dikwerf met kist en dode ten onderste boven tuimelen.

Ga naar boven

2. Het lijk wordt vervoerd van het sterfhuis naar kerk en kerkhof

Boxmeer: op de dag der begrafenis wordt, als het is ene begrafenis eerste klasse, het lijk door de leden van de congregatie van de H. Joseph, het timmermansgilde, op een baar aan de hand van het sterfhuis naar de kerk en van daar naar het kerkhof gedragen. Betreft het een lijk van iemand die tot de H. Familie of tot een andere congregatie behoorde, dan wordt het lijk door de leden van ene dier verenigingen op dezelfde wijze gedragen en worden de kwasten van het lijkkleed vastgehouden door hare prefecten, de lijken van de overige ingezetenen worden op de schouders gedragen. Bij de begrafenis van een kind, dat lid van de H. Kindsheid was, wordt het lijk op een baar gedragen door 6 jongens of meisjes. Bij grote afstand wordt het lijk ook wel op een kar geplaatst.

Hier een tekening van een kinderbegrafenis, al zou je het niet zeggen omdat je alleen maar volwassenen ziet in de lijkstoet. Verder valt op dat het paard een slee trekt met daarop de doodskist? Bron: Het maatschappelijke leven onzer voorvaderen in de 17de eeuw, G.D.J. Schotel.

Cuyk: Als het sterfhuis te ver van de kerk is om het lijk te dragen wordt het lijk naar de kerk gereden op de kar van een boer, die van de buren het dichtst bij de kerk woont. De kist wordt daartoe door die boer en de lijkers op de kar geplaatst. De lijkers volgen het lijk niet naar de kerk maar blijven in het sterfhuis om alles in gereedheid te brengen tot de ontvangst der begrafenisgasten. Alleen de nabestaanden volgen het lijk, de allernaaste bloedverwanten natuurlijk voorop, allen gaan één voor één, het eerst komen de mannen en daarachter de vrouwen. Op de kar neemt niemand plaats. De buren wachten het lijk in de kerk op. Als het lijk gereden is, wordt bij de poort van de kerk de kist door de aldaar staande dragers op een baar geplaatst en in de kerk gedragen.

Eindhoven: Tot voor dertig á veertig jaar geleden, (is dus rond 1850, B.H.) werd het lijk op een baar bij de begrafenis naar de kerk gedragen en volgde de naaste bloedverwanten van de overledene met breedgerande hoeden en getooid met rouwmantels de baar, terwijl de buren, vrienden en kennissen, ook allen met rouwmantels omhangen, de verdere stoet vormden. Dat gebruik is echter omstreeks die tijd afgeschaft, sedert dien worden hier de meeste lijken met een lijkwagen naar de kerk gereden, waarachter de mannelijke familieleden en vrienden te voet gaan, gekleed in moderne rouwkleren. Alleen de lijken der armen worden nog wel naar de kerk gedragen.

Sint Michielsgestel: Bij de begrafenis wordt de kist op een baar geplaatst, welke door 8 mannen uit de buurt naar de kerk en het kerkhof wordt gedragen. Zij krijgen daarvoor van de nabestaanden van de overledene een paar zwarte handschoenen en een fooi. Is de af te leggen weg te groot om het lijk voortdurend te dragen dan wordt de kist gezet op een kar welke door een buurman is ingespannen en gereden tot op enige minuten afstand van de kerk, alwaar zij dan op een baar wordt geplaatst en naar de kerk gedragen.

In Uitvaartgebruiken in Westvlaanderen, door Mts Van Coppenolle, Volkskunde, 52ste jaargang, 1951 kun je lezen dat, mits het sterfhuis ver van de kerk lag, de doodskist aanvankelijk gedragen werd en op het moment dat de pastoor hen tegemoet kwam werd de doodskist op de schouders genomen. Verder was het gewoonte dat de dode door zijn gelijke wordt gedragen. Getrouwde mannen droegen getrouwde mannen; dit gold ook voor ongetrouwde mannen; getrouwde of ongetrouwde vrouwen en kinderen droegen kinderen. Dit gebruik kom je ook tegen in Noord-Brabant, zoals we verderop in de tekst zullen tegenkomen.

H.Grolman: ´Indien het kerkhof op kleine afstand is gelegen, gebruikt men op het platte land geen wagen, maar plaatst de kist direct op de baar. R. Hirsch zegt hierover: Er waren twee soorten van baren, n.l. handbaren, en die welke op de schouders gedragen werden; wanneer men op de schouders grafwaarts gedragen werd gold dit als een grote onderscheiding.´

Bron: Het maatschappelijke leven onzer voorvaderen in de 17de eeuw, G.D.J. Schotel.

Gaandeweg waren ook die lijkbaren niet meer zo eenvoudig gebleven. In dorpen en steden aan de Friese zeekust bestaan nog baren, afkomstig uit de latere gildetijd, met gekleurd schilderwerk en met randschriften op de lange zijden, soms ook tussen de stokken.

Ga naar boven

3. Het zitten op of bij de lijkkist op de boerenkar

Boxmeer: Vroeger was het gebruikelijk dat dan de weduwe op de kist ging zitten, doch dit gebruik bestaat thans (bedoeld wordt hier op het einde van de 19de eeuw, B.H.) in het geheel niet meer.

Hier een tekening van een boerenbegrafenis, twee vrouwen zitten naast de lijkkist op de kar. De naasten volgen ook in een boerenkar. Bron: Het maatschappelijke leven onzer voorvaderen in de 17de eeuw, G.D.J. Schotel.

Van Sasse van Ysselt: Het zitten van de vrouw op de kist is in de Langstraat, voor zover bekend, nooit in gebruik geweest.

Erp: Wanneer de afstand te groot is om het lijk tot aan de kerk te kunnen dragen wordt de kist op een kar gezet, vroeger was het dan gebruikelijk dat de weduwe of dochters van de overledene op de kist gingen zitten, doch dit gebruik is thans (ook hier wordt bedoeld einde 19de eeuw, B.H.) afgeschaft.

Waar het zitten van vrouwen op de lijkwagen of kist nog wel bekend was, was in Erp, zie verderop in de tekst en in de Kempen. Van Sasse van Ysselt zegt hierover: Het was daar vroeger eveneens gebruikelijk dat als het lijk op de kar naar het kerkhof vervoerd werd, de nabestaanden op de kist gingen zitten. Meer informatie hierover staat verderop in de tekst, het betreft dan gegevens uit Westvlaanderen.

Van Coppenolle beschrijft ook dat er op de lijkwagen twee of meerdere vrouwen zitten. De lijkwagen was natuurlijk ook een handig vervoermiddel naar de kerk voor de uitvaartdienst, voor diegene die slecht ter been was. En het stro waarop de lijkkist stond zal waarschijnlijk geen speciale betekenis hebben anders dan een middel om de kist een stabiele houding te laten hebben op de boerenkar! Van Coppenolle merkt tenslotte op dat het gebruik van de wytewagen (boerenhuifkar) absoluut niet uitsluitend Westvlaams is.

Daarom is het zo zinvol om ook enkelen begrafenisgebruiken uit andere provincies en landstreken dan Noord-Brabant te beschrijven!

H.Grolman: ´De lijkwagen met de kist gaat voorop. Vroeger namen een of twee naastbestaande vrouwen in rouwgewaad ( dat is met de sluier, rok of regenkleed over het hoofd) op de kist plaats, dit recht kwam aan de weduwe toe. In de voetnoot bij deze opmerking over het zitten op de lijkwagen of de lijkkist, geeft Grolman aan dat deze gewoonte ook bekend is geweest in: Limburg, Friesland, Drenthe, Overijssel, Gelderland en Noord-Brabant. Je zou kunnen zeggen in bijna heel Nederland! Het zitten op de lijkkist die op de lijkwagen stond noemde men in Drenthe: op de dood zitten. Het kwam ook voor dat de weduwe op de kist ging zitten en andere naaste verwanten naast de kist op zakken hooi. Tegenwoordig komt het echter zelden voor daar met de invoering van de lijkkoets dit gebruik vervalt.´

J.Schrijnen: ´Op de kar, die het lijk naar de kerk en het kerkhof vervoerde, nemen twee of vier der naaste verwanten plaats, meestal vrouwen. Ja, in verscheidene dorpen van Limburg, Friesland, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Noord-Brabant enz. zat de weduwe op de kist, en dit gebruik is nog volstrekt niet geheel uitgestorven; wellicht hebben we hier te doen met een afweergebruik. We moeten bedenken dat Schrijnen dit opschreef in 1930.´

Ga naar boven

4. Het paard en de boerenkar

Bernard van Dam: ´De hoogkar was het voertuig voor meer omvangrijke ladingen. Zij werd gebruikt bij het binnenhalen van de verschillende graan – en hooioogsten, bij het vervoer van stro, het afleveren van vrachten, aardappelen, mangelwortelen enz. Ook wanneer er vette kalveren of varkens vervoerd moesten worden en meer andere werkzaamheden. Zo werd bij het ten doop gaan, als de afstand tamelijk ver was, ook de hoogkar ingespannen, bij een spoedbediening werd de geestelijke per hoogkar afgehaald, voor wien zo’n in stevige draf afgelegde rit over de hobbelige zandwegen allesbehalve een pretje was en verder moest ook het lijk van een der huisgenoten de laatste gang naar de kerk per hoogkar afleggen. Volgens B.van Dam werd het paard rond 1900 nog aangespannen voor de hoogkar. Waarmee niet gezegd wordt hoe oud de hoogkar feitelijk is. Verderop zijn betoog over ‘van voer- en werktuigen’ zegt Van Dam: Het is een toeval, wanneer we op de grote baan nog een hoogkar tegen komen. Zo goed als alle zijn vervangen door de platte wagen met gummi banden terwijl ook reeds op veel plaatsen de tractor de perserrebeid’ voor zijn rekening heeft genomen. Wat perserrebeid is weet ik niet! Bernard van Dam leefde van 1881 tot 1958, je kunt je dus wel voorstellen dat hij zijn verhaal situeerde in de jaren 50 van de vorige eeuw.´

Volgens Van Coppenolle werd het paard dat de lijkwagen zou trekken nog vooraf gezegend: Eertijds werden de paarden ’s avonds voor de uitvaart vermaand: ‘morgen moet gij een lijk naar het kerkhof voeren’. Dit gebruik schijnt uitgestorven. Wel worden nog, maar dan meer uit christelijke overtuiging, de paarden gezegend vooraleer aan te zetten. Dit zegenen gebeurde door een kruis te tekenen op de kop van het paard, eigenlijk moet ik hier ‘hoofd’ gebruiken! Met een palmtak en wijwater.

Er zijn nog meer typische gebruiken aangaande de paarden die de lijkwagen moesten trekken. • Het was gebruikelijk om een of twee zwarte paarden te gebruiken, een combinatie van een wit en een zwart paard kwam ook voor. • Ik heb zelfs ergens gelezen, Thanatos pag. 280 dat een witte bles bij een zwart paard ingesmeerd werd met zwarte schoensmeer. Je zou bijna zeggen: het moet niet gekker worden! • De paarden droegen geen zwarte kleden, wat in steden wel de gewoonte was. • Een drachtige merrie mocht de lijkwagen niet trekken, de kans was dan groot dat het veulen bij de geboorte zou sterven!

Meer en meer komt ook op het platteland de lijkkoets in gebruik, men gaat met zijn tijd mee en wil nu ook aan de stadse gebruiken meedoen. Op het platteland was en is nog op vele plaatsen de lijkwagen een boerenwagen, de z.g ladder- of hooiwagen zoals de boeren zeggen. De ladders dezer wagen waren zonder planken, ze bestaan alleen uit latten. Hij wordt eerst goed schoongemaakt en met vers stro belegd, waarop de kist komt te staan. Zwarte paarden doen bij een begrafenis dienst, één, twee en soms drie. De naaste buurman leent zijn kar en paard, daar men nooit met eigen gerij begraven wordt. H.Grolman: ´Vermoedelijk vreesde men dat de ziel van het eigen paard de dode in het graf zou volgen. Een drachtig paard mag men niet gebruiken voor een lijkwagen, daar dit en het veulen anders bij de geboorte sterven. Zo mag ook geen zwangere vrouw op de lijkkist gaan zitten op weg naar de kerk.´

Ga naar boven

5. De samenstelling van de lijkstoet

Sint Michielsgestel e.o.: Achter het lijk gaan eerst de mannen, de naasten in den bloede voorop en dan de vrouwen. Is de lijkdienst in de kerk geëindigd dan geschiedt de oefening van de Kruisweg, terwijl inmiddels de baar met de lijkkist aan de kerkdeur blijft staan, waarheen zij na het eindigen van de dienst gedragen is. Na afloop van de Kruisweg begeven allen, ook de vrouwen zich naar het kerkhof alwaar de kist in de groeve wordt gelaten.

Langstraat: In de stoet gaat in de regel het jongste kind voorop. Te Waalwijk gaan de vrouwen niet mee in de begrafenisstoet. Na afloop van de begrafenis gaan de familieleden en kennissen van de overledene terug naar de kerk om daar voor hem de kruisweg te bidden. Daarna gaan de familieleden naar het sterfhuis.

Bokhoven: Wordt het lijk van een ongehuwde op de dag der begrafenis ter kerke gedragen, dan gaat iemand de begrafenisstoet voorop met een paar palmtakjes in de hand, die in de vorm van een kruis op zijn graf worden geplant.

Boxmeer: Al naarmate de overledene tot het mannelijke of vrouwelijke geslacht behoorde, bij de begrafenis een man of een vrouw voor de kist gaat met het H. Oliesel(kruis) in de hand. Achter de kist gaan eerst de mannen en daarna de vrouwen.

Budel: In de begrafenisstoet gaan, als een ongehuwde begraven wordt, hetzij hij een kind of een volwassene was, drie kleine meisjes onmiddellijk achter het lijk met palmtakjes in de hand, welke takjes versierd zijn als een jongen of vrijgezel begraven wordt, met stroken en driehoekige vaantjes van gekleurd papier en als een meisje of jonge dochter ter aarde wordt besteld met stroken en ruw bewerkte rozen die eveneens van gekleurd papier gemaakt zijn. Deze takjes worden, als de kist in de kerk komt op het baarkleed gelegd en later op het graf gestoken. Achter bedoelde meisjes komen in de begrafenisstoet de buren, en vervolgens de leden van de H. Familie of Congregatie, Gilde of Harmonie, wanneer de overledene daartoe behoorde, en eerst daarna komt de familie. Alleen als de afstand te groot is om het lijk te dragen wordt de kist op een kar geplaatst, doch niemand neemt plaats op de kist.

Erp e.o.: Onmiddellijk achter het lijk gaat de allernaaste buurman, hij wordt de kaarsendrager genoemd, omdat het vroeger gebruikelijk was dat hij de kaarsen, die tijdens de uitvaart in de kerk rondom het lijk gestaan hadden, mee naar het sterfhuis nam en vervolgens aan een naburige kerk ten geschenke gaf teneinde daarvoor een H. Mis voor de zielerust van de overledene te doen lezen. Ondanks dat dit gebruik niet meer bestaat gaat nog altijd de zogenaamde kaarsendrager vlak achter de kist. Wordt een ongetrouwde begraven, dan volgen in de stoet op de kaarsendrager twee zogenaamde trossendragers, die jongens of meisjes zijn, naargelang de overledene een jongen of een meisje was. Elk hunner draagt dan twee bosjes palmtakken die op de kist gelegd worden zodra het lijk in de kerk gedragen wordt en op het graf gezet worden als het dicht is gemaakt. Te Veghel gaan de trossendragers alleen maar met kinderlijken mee, zij zijn daar vier in getal en elk hunner draagt een palmtakje. Na de trossendragers komen in de begrafenisstoet de mannelijke en daarna de vrouwelijke familieleden. Wanneer het lijk van de kerk naar het kerkhof wordt gedragen gaat de doodgraver voor de kist met het kruis in de hand, dat op het graf zal worden geplant. Zowel mannen als vrouwen gaan mee naar het kerkhof, de mannen blootshoofds. Zodra de kist in het graf is neergezet maken alle leden van de stoet daaromheen een rondgang. Daarna gaan de familieleden en de buren naar het sterfhuis en worden zij dan daar op brood en koffie, soms ook wel op kaas onthaald.

Oss e.o.: Voordat de kist het sterfhuis verlaat bidden alle aanwezigen 5 onze vaders, die door de bidders worden voorgebeden. Daarna trekt de begrafenisstoet naar de kerk, de bidders voor de kist met hoge hoed op waaraan een lange, zwarte sluier hangt. In de boeren- en arbeidersstand komen de bidders eerst achter de mannelijke leden van de stoet. Het lijk wordt gedragen door gehuwden of ongehuwden, naar gelang de overledene gehuwd of ongehuwd was. De mannen gaan achter het lijk, de naaste familieleden voorop, achter de mannen komen in de stoet de vrouwen.

Oirschot e.o: De buren dragen op de dag der begrafenis het lijk naar de kerk. Onmiddellijk achter de kist gaat het naaste familielid van de overledene. Achter hem komen de verdere familieleden, buren en vrienden en daarna de vrouwen, allen een voor een.

Tilburg: Op de dag der begrafenis wordt het lijk naar de kerk gereden. Daarachter gaan te voet eerst de mannelijke familieleden, vrienden en buren en vervolgens de vrouwen.

Bernard van Dam: ´De volgorde van de lijkstoet werd geregeld naar de mate van bloedverwantschap en hieraan werd streng te hand gehouden. Bij enige afstand van bijv. minder dan een 300 meter werd de tocht te voet afgelegd, was de afstand echter groter dan ging de kist op de hoogkar, waarachter de rouwleider en daarna de familie, voorop de mannelijke kinderen naar leeftijd, ieder gevolgd door de kleinkinderen, daarna broers en zwagers met hun kinderen, waarachter neven, vrienden kennissen en eindelijk de buurlui met de dragers. Achter deze volgden dan de vrouwelijke familieleden en buurtbewoonsters in dezelfde volgorde als de mannelijke. Was het lijk op het kerkplein aangekomen dan werd halt gehouden en de kist van de kar op de baar geplaatst, terwijl tegelijkertijd de klok begon te luiden totdat het lijk in de kerk was. Na afloop van de H. Mis werd het lijk in dezelfde volgorde door de stoet naar het kerkhof geleid, terwijl de klok luidde totdat de kist gezonken was, na afloop begaven allen, uitgezonderd de dragers, zich ter kerke voor het bidden van de Kruisweg, die door de rouwleider werd voorgebeden. Daarna begaf de hele stoet zich naar het sterfhuis.´

H. Grolman: ´De lijkwagen wordt gewoonlijk voorafgegaan door de doodbidder of voorganger met hoge hoed op, versierd met een lamfer, vroeger dikwijls met een grote zwarte mantel om. De menner houdt de paarden vast, op de terugweg zit hij op de bok. Soms lopen ook twee buren naast de paarden.´

J. Schrijnen: ´Achter de wagen volgen verdere bloedverwanten, buren en vrienden, meestal ook vrouwen. De stoet wordt gesloten door de hekkesluiter. In de stoet loopt op het platte land nog vaak de doodgraver met omgekeerde schop, zoals men immers bij tal van dodengebruiken alles omgekeerd doet.´

Ga naar boven

6. De lijkstoet en begrafenisgebruiken in ’s-Hertogenbosch

Wat betreft de begrafenisgebruiken in ’s-Hertogenbosch doet Van Sasse van Ysselt een opmerkelijke uitspraak: De tegenwoordige tijdgeest, (en dan wordt bedoeld het einde van de 19de eeuw, B.H.) die alle oude gebruiken wegvaagt en alles uniform tracht te maken, heeft hier zijnen nadeligen invloed op de oude begrafenisgebruiken zo sterk mogelijk doen gelden. In de Noord-Brabantse hoofdstad bestaan dan ook gene bijzondere begrafenisgebruiken meer met uitzondering dat, als het lijk boven aarde staat, elke avond tot aan de dag der begrafenis de rozenkrans in het sterfhuis gebeden wordt door de familieleden en uitgenodigde kennissen, wat gewoonlijk onder voorgang van enen aanspreker gebeurt en dat, als het lijk begraven wordt, in het laatste rijtuig van de stoet vier der naaste buren plaats nemen, die ook in de kerk komen en mede naar het kerkhof gaan; elke buurman van de overledene beschouwt het als een plicht om mede ter begrafenis te gaan en zal zich daarom hieraan niets anders dan in de uiterste noodzakelijkheid onttrekken.

Uit de volgende uitspraak van Van Sasse van Ysselt, die onjuisheden bevat, zie verderop, zou je kunnen opmaken dat door de komst van het stedelijk kerkhof te Orthen in 1860, er verandering kwam in de Bossche begrafenisgebruiken: Vóór 1 januari 1860, zijnde de dag, waarop het stedelijk kerkhof te Orthen in gebruik werd genomen, alzo zolang nog de lijken op de kerkhoven binnen de muren der stad begraven werden, bestonden hier nog de oude begrafenisgebruiken in volle kracht. Door de komst van het kerkhof in Orthen veranderde in ’s-Hertogenbosch ook het aanzeggen van het overlijden. Hiervoor verwijs ik u graag naar het hoofdstuk Aanzeggen.

Over de begraafplaats Orthen moet ik toch wat corrigerende opmerkingen maken en die haalde ik uit: Dood en begraven in ’s-Hertogenbosch van Marcel Portegies: Op 20 mei 1858 werd de nieuwe begraafplaats te Orthen geopend. Vanaf deze datum verbood het stadsbestuur alle begrafenissen elders binnen de gemeente. Als gevolg hiervan werd op 19 mei 1858 de laatste dode op het kerkhof van de St. Jan ter aarde besteld. Wat betreft de datum van 1860 zat Van Sasse van Ysselt er wat naast, doch we nemen het hem postuum niet kwalijk, hij ligt overigens begraven in Orthen! Ik heb nog foto’s gemaakt van zijn sterk verwaarloosde graf, na wat Hedera verwijderd te hebben kunt u zijn graf toch duidelijk op de foto zien! Deze foto’s zijn te zien in het hoofdstuk, even verderop, Kerkhof en gewoontes rondom het graf.

Ga naar boven

7. De huilebalk in een begrafenisstoet

De begrafenisstoet was vóór 1860 als volgt samengesteld: * Voor de kist gingen een of twee politieagenten en daarna de bidders, * vervolgens kwamen de baardragers, die op hunne schouders de baar droegen waarop de kist stond, * naast de baar gingen een of meer huilebalken.

Huilebalken waren gekleed in lange zwarte mantels en op het hoofd hadden een zwarte hoed met lagen bol en zeer grote slap neerhangende rand. Aan de hoed hadden zij hangen een lange zwarte lamfer en voor het gezicht hielden zij een grote witte zakdoek alsof zij hevig weenden. De huilebalken waren gewoonlijk de dienstknechten van de overledene en werden anders uit de baardragers genomen. Achter het lijk gingen de kinderen van de overledene en de verdere familieleden, vervolgens de vrienden en buren, allen te voet. Bij de begrafenis van de vader ging de oudste zoon voorop en bij die van de moeder eerst de man en daarna de jongste zoon en zo vervolgens.

Het begrip huilebalk komen we ook tegen op het Zeeuwse eiland Schouwen, zo lezen we in H. Grolman, pag. 373: Op Schouwen liep vroeger tussen de twee aansprekers in, een man met grote hoed, die met beide handen een zakdoek stijf tegen zijn ogen drukte en aanhoudend snikte. Hier herkennen wij onmiddellijk een huilebalk in. Grolman associeert zo’n huilebalk met klaagvrouwen, de officiële klagers der volkeren, die men in Zuid-Italië nog aantreft. Renée Hirsch spreekt van: gehuurde weeklagende personen, die de baar onder het zingen van klaagliederen en treurzangen volgen. Deze personen hebben rouwmantels om en op hun hoofd rouwkappen.

Lijkkleed
Hirsch spreekt ook over een kleed dat over de lijkkist ligt, het zogenaamde lijkkleed. Stond de kist op de baar dan werd deze bedekt met de pelle of pelt, ook wel baarkleed, lijkkleed of hennekleed genoemd. Pelt is hetzelfde als pels, een warme mantel die men over de kist werpt om deze te bedekken, ’t is de mantel van de dode, zo lezen we in H.Grolman, pag. 385. Deze baar met pelle werd op het graf gezet als dit al gedicht was met aarde. Zo bleef deze daar soms wel zes weken staan. Zo’n pelle bestond meestal uit zeer kostbare zwarte of witte stof, laken, fluweel of zijde en was soms eigendom van de familie van de overledene of werd gehuurd van de kerk, van de koster. Bij overleden zwangere vrouwen werd over het zwarte lijkkleed een wit laken gelegd, dit gebruik zien we ook bij het graf van een zwangere vrouw. Op de begraafplaats te Orthen zag ik een grafsteen bedekt met een baarkleed, maar dan in steen. De foto maakte ik in december 2011.

Nu blijkt dat de kerk graag een graantje meepikt van een uitvaart, zo zegt R. Hirsch hierover: Na de begrafenis, soms na de uitvaart of de 30ste of 40ste dag verviel het pellen op sommige plaatsen automatisch aan de pastoor of aan de kerk en kon de familie het voor een kleinigheid terugkopen! Door dit terugkopen van het pellen, dat aan een familie behoorde, ontstond voor de kerk een rijke bron van inkomsten.

In de 17de eeuw, na de Hervorming dus, kon men in het Noorden, wanneer men geen familiekleed bezat, er geen meer van de kerk huren. Dan zien we een nieuwe nering verrijzen, die bestaat in het verhuren van rouwgoederen.

Begrippenlijst.

• Doodbidder(s) of bidder(s). • Te lijk komen. • Lijk-, dood- of sterfdeur. • Lijker(s). • Op de dood zitten. • Hoogkar. • Ladder- of hooiwagen. • Kaarsendrager(s). • Trossendrager(s). • Huilebalk. • Baar-, lijk- of hennekleed. • Pelle of pelt.

Ga naar boven

8. Literatuurlijst

In dit hoofdstuk maakte ik gebruik van de volgende literatuur. Of de auteur wordt genoemd, óf de titel van de publicatie.

1. Oude begrafenisgebruiken in Noord-Brabant, A. van Sasse van Ysselt. In: Taxandria, tijdschrift voor Noordbrabantse geschiedenis en volkskunde. Vierde jaargang, 1897.

2. Dodenritueel in de Nederlanden vóór 1700, Renée Hirsch, Academisch proefschrift uit 1921, uitgever A.H. Kruyt, Amsterdam.

3. Volksgebruiken bij sterven en begraven in Nederland, Hermina C.A.Grolman, in: Tijdschrift van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig genootschap, Leiden 1923.

4. Dood en begraven in ’s-Hertogenbosch, 1629-1858, Marcel Portegies, Uitgeverij Matrijs, Utrecht 1999.

5. Nederlandse Volkskunde, 2 delen, Dr. Jos Schrijnen, uitgeverij W.J. Thieme, Zutphen 1930. Ongewijzigde herdruk van Gysbers & Van Loon, Arnhem 1977.

6. Oud-Brabants dorpsleven, wonen en werken op het Brabantse platteland, Bernard van Dam. Uitgegeven door de stichting Brabants Heem, 1972.

7. Het maatschappelijk leven onzer voorvaderen in de 17de eeuw, Prof. Dr. G.D.J. Schotel. J.G. Strengholt’s Uitgeversmaatschappij N.V. Amsterdam 1905. Ongewijzigde herdruk van de uitgave uit 1905, Gijsbers & Van Loon, Arnhem.

8. Thanatos, de geschiedenis van de laatste eer, H.L. Kok. Berne boekenmakerij Heeswijk-Dinther, 2005.

9. Op reis door de Meierij met Stephanus Hanewinckel, Frank C. Meijneke, Stichting Zuidelijk Historisch Contact, Tilburg 2009.

10. De poffer, Gerard Rooijakkers, uitgeverij Veerhuis, 2010.

Ga naar boven