Bedienen

In dit hoofdstuk wordt uitgelegd wat bedoeld wordt met: ‘iemand is bediend’.  Wat is bedienen en wie doet het en bij wie? Wat heb je nodig om iemand de laatste sacramenten toe te dienen?  Wat is het H. Oliesel en wat is een sacrament? En ook de bijna vergeten term ‘oliekruis’ wordt verklaard.

Om het verhaal over de bediening te beginnen zou ik graag Bernard van Dam willen citeren uit zijn boek : Oud-Brabants dorpsleven:
Zoals vroeger op het platteland bruiloften en andere feesten hun door de eeuwen heen gevestigde gewoonten en buurplichten met zich meebrachten, zo was dit ook in minstens even grote mate het geval met bediening en begrafenis. Wanneer een zieke moest voorzien worden van de Sacramenten der stervenden, wat nooit anders werd aangeduid dan met ten volle bediend worden, ging men de pastoor vragen hoe laat deze voor genoemd doel ter plaatse kon zijn; ondertussen werd de misse bijgeharkt, het binnenhuis geveegd en de ziekenkamer zorgvuldig in orde gemaakt om ´Ons Heer´ zo waardig mogelijk te kunnen ontvangen. Ieder die de priester met ´Ons Heer´ op zijn weg naar de zieke tegenkwam knielde neer en liet hem onder het slaan van een kruis en het prevelen van een schietgebedje passeren.
(
Hier een schilderij van Joh. Leuken uit 1975, waarin dit uitgebeeld wordt.)

Inmiddels werd in afwachting van de priester alles in gereedheid gebracht en te dien einde naast het ziekbed een tafeltje geplaatst waarover een kraakheldere witte doek en daar op de voor de bediening nodige voorwerpen, kruisbeeld, twee kaarsen in kandelaars, wijwater en een takje gewijde palm benevens een klusje watten. Onderwijl werden de buren gewaarschuwd en verzocht om tijdens de bediening in het ziekenvertrek te komen bidden, waaraan door ieder die zich maar enigszins vrij kon maken gehoor werd gegeven. Als na de bediening de meesten zich stil en devoot naar huis begaven bleven enkele van de naaste geburen nog bij elkaar omuit te maken wie in de loop van de dag alsnog de rozenkrans moest gaan aanzeggen en kregen de daarvoor benodigde huishoudens ieder een straat of uithoek van het dorp aangewezen. De uitvoering van die opdracht werd gewoonlijk toevertrouwd aan schoolgaande kinderen, die deur voor deur ´vanavond rozenkrans bij N.N. die vandaag ten ‘volle bediend is´ afgaven En daarmee hun plicht vervuld hadden.

Diezelfde Bernard van Dam vertelt nog een leuke anekdote in zijn zojuist genoemde boek, Over een bediening in een strenge winter.
Ik herinner me nog levendig een bediening uit de strenge winter 1890-1891. Op de pastorie gaat de bel alsof ’t huis moet worden afgebroken. Tinus de tuinknecht doet open en wordt door een grof gebouwde en evenredig getaalde boer begroet met een: ‘is de pastoor bij de haand’? Dat ‘bij de haand’ klonk minachtend en niet in overeenstemming met pastoors waardigheid in de oren van Tinus en er een andere betekenis aan voorwendende, zei hij: ‘da ligt er aan. Wat is er te doen, Hannes?’ ‘Daon Arieje Piete is van de schelft afgevallen en moet op slag bediend worden. Kan da?’ ‘Ik denk van ja! Zó bij de hand is meneer pastoor nog wel!’ Terwijl Hannes en zijn dampende merrie buiten met ongeduld wachten, wordt binnen alles voor de tocht in gereedheid gebracht. Meneer pastoor gaat Ons Heer halen in de kerk, Jana maakt een hete voetkruik klaar. Tinus helpt meneer pastoor in een paar overjassen en deze krijgt, nadat hij via een Oirschotse stoel kruipende het inwendige van de kar bereikt heeft, nog een dikke wollen deken voor over de knieën en een bouffante voor om hals en hoofd toegestoken met de boodschap: ‘zorg toch, pastoor, geen kou te vatten! ’t Is om de dood te halen!’ Het vriest namelijk dat het kraakt en Daon woont drie kwartier gaans van de pastorie af. Meneer pastoor krijgt nauwelijks de tijd om in de karbak overeind te krabbelen en zich op de over de ‘kaarkist’ uitgespreide ‘pulling’(peluw) te installeren, want Hannes heeft zonder verdere orders af te wachten paard en kar reeds gedraaid en ratelt in gestrekte draf over de hobbelige keien op zijn ongelukkige buurman af, in de hoop niet te laat te komen. Op de zandweg wordt het schokken nog veel erger. Diepe en hard bevroren klemsporen gooien de kar en daarmee meneer pastoor hot en haar de hoogte in en hoe meer deze laatste bidt en kermt om ’n beetje medelijden met milt- en maagstreek, hoe nijdiger Hannes zijn goed scherp staande merrie aanzet om nóg meer spoed. Niet alleen denkt hij daarbij een buurmans noodtoestand, maar als rasechte boer gaat hij er trots op meneer pastoor te kunnen laten zien hoe merakels zijn bruintje draven kan.

(Tekening van Bernard van Dam in: Oud-Brabants Dorpsleven.)

Van een gebedje zal onder de huif niet veel gekomen zijn! Geradbraakt en letterlijk door elkaar geschud komen ze bij Daon, die onmiddellijk de laatste H. Sacramenten krijgt toegediend, hoewel de later komende dokter het gevaar niet zo geweldig groot achtte. Na een kwartier uitrusten en warmen onder het genot van een hete kop koffie, wordt meneer pastoor met al z’n gewichtigheid weer op de kar gehesen en gaat het, nu op uitdrukkelijk bevel stapvoets, door de snerpende kou op de pastorie aan, waar iedereen in angst verkeert over de afloop van de barre tocht. En als Daon Arieje Piete een dag of tien later weer gezond van lijf en leden in de Hoogmis verschijnt, ligt meneer pastoor nog met een zware verkoudheid te bed! U ziet, lezer, ook het pastoorsambt had zijn schaduwzijde toen bromfiets en auto nog niet te hulp konden komen. Die goeie, ouwe tijd toch!

Wat is bedienen
Bedienen is een zwaar zieke of stervende de laatste sacramenten toedienen, te weten- naast biecht en communie- met name het Heilig Oliesel oftewel de ziekenzalving.
In het Liturgisch Woordenboek , uitgegeven in de jaren tussen 1958 en 1962 staat te lezen over de Bediening: Het sacramenteel gedeelte omvat, biecht, oliesel en viaticum of teerspijze. Met dit laatste wordt de communie bedoeld. Daarop volgt de pauselijke zegen en wanneer de dood nabij is de gebeden der stervenden. Is dit alles geschied dan heet de zieke ‘ten volle bediend’ en hij ontving de ‘sacramenten der stervenden’.
Je hoort nu nog zeggen, als het gaat over een persoon die ernstig ziek is of terminaal: hij of zij is ten volle bediend, en u weet nu wat hiermee bedoeld wordt.

Viaticum
Ik kwam dit begrip heel toevallig tegen in een roman van Thomas Mann, De Toverberg en vond het vreemd dat ik in geen enkele literatuur dit woord ben tegengekomen.
In het Liturgisch Woordenboek staat viaticum als volgt omschreven: Onder viaticum of teerspijze  verstaan wij de (laatste) communie die in stervensgevaar ontvangen wordt.
We volgen nu Wikipedia: Het viaticum maakt deel uit van de laatste sacramenten: hiermee worden bedoeld: de (laatste) biecht, het heilig oliesel en de (laatste) communie. Het viaticum kan worden bediend in een separate plechtigheid, dan wel in een gecombineerde liturgie van biecht, zalving en communie. In het laatste geval is de bedienaar de priester, in het eerste geval kan ook een diaken de communie brengen aan de stervende.

Het Heilig Oliesel
Ik heb er eens een oud missaal op nageslagen en vond de volgende feiten over dit sacrament.
Het H. Oliesel werd door Jezus Christus ingesteld, om de zieken naar ziel en lichaam te sterken. De zalving van de zintuigen met de daarvoor gewijde ‘Olie der zieke’ betekent, dat het Sacrament de wonden der ziel geneest, zoals de olie die van het lichaam. Meer in ‘t bijzonder zuivert het H. Oliesel de zieke van de fouten, door de verschillende zintuigen begaan; het sterkt hem in zijn strijd tegen de bekoringen en helpt hem om zalig te sterven. Het verlicht en verkwikt de zieke ook naar het lichaam en geeft zelfs de gezondheid weer, als dit de zieke zalig is. Daarom mag de toediening van dit Sacrament onder geen enkele voorwaarde uitgesteld worden, tot de zieke in gevaar van sterven verkeert. De vrees, hem te zullen verschrikken, is ongegrond en kan voor de zieke slechts leiden tot het verlies van veel hulp en troost en zelfs van zijn eeuwige zaligheid. Het H. Oliesel mag en moet herhaald worden, wanneer het doodsgevaar, na volkomen te zijn geweken, andermaal optreedt.

Het oliekruis
Deze term ben ik slechts één keer tegengekomen.
Ik vond een krantenartikel in de aantekeningen en knipsels over rouwgebruiken, verzameld door Van Sasse van Ysselt met als titel: Oude Roomse gebruiken. Wie de auteur van het krantenartikel is en in welk jaar dit werd gepubliceerd is onbekend en niet vermeld door Van Sasse van Ysselt. Alleen de initialen van de auteur zijn bekend, want zo begint het krantenartikel: L.v.M. schrijft in de ‘Mededelingen’ der ‘Studiën’: Dan volgt er eerst een korte inleiding alvorens het gebruik met het oliekruis wordt besproken.

Er is in de laatste tijd weer eens bitter geklaagd, dat oude roomse kunstwerken niet zelden door onkunde en zorgeloosheid reddeloos verloren gaan, of door loze opkopers- gedoopte en ongedoopte- op slimme manier aan argeloze bezitters afhandig worden gemaakt. Deze verarming van onze kerkschat is zeker te betreuren. Maar misschien nog erger is het gesteld met onze oude roomse volksgebruiken. Die eigenaardige overblijfselen uit de eeuwen van innig geloof, zo tekenend voor kerkgebruik en volksgeest, sterven langzamerhand weg in de kille atmosfeer van onze moderne tijd, en dikwijls wordt er niet aan gedacht de vormen van het verdwijnend beeld nog even in schrift vast te leggen. Vooral onder het eenvoudige landvolk kan de roomse folklorist hier en daar nog kostbare herinneringen aantreffen, die het verzamelen overwaard zijn. Een paar staaltjes. Moge ze de opmerkzaamheid scherpen van anderen, vooral geestelijken, beter in de gelegenheid om te observeren dan wij. In het Noordbrabantse dorp St. Anthonis (in de volksmond Sint Teunis) dat in vroeger eeuwen Oelbroeck heette, en aan de patroonheilige der parochiekerk (H.Antonius Abt) zijn tegenwoordige naam ontleent, bestaat nog heden ten dage het volgende gebruik. Als iemand de laatste H.H. Sacramenten heeft ontvangen, wordt bij de koster het H. Oliekruis gehaald, een zwart houten kruis zonder corpus, en in het bed van de zieke gehangen. Herstelt de zieke, dan gaat het kruis weer naar de koster terug; komt hij te sterven, dan draagt een der naaste buren van de overledene het kruis vooruit in de lijkstoet, van het sterfhuis naar de kerk, waar het onder de uitvaart op de kist blijft liggen. Voor het uitlenen van het oliekruis ontvangt de koster een kleine vergoeding. Ongeveer hetzelfde gebruik was oudtijds te Nijmegen bekend. In een rekenboek der St. Stevenskerk uit de jaren 1585 en 1586 lezen we dat ‘Schelen Steven’, – een personage door de kerkmeesters nu en dan voor lagere diensten, o.a. het schoonhouden van het kerkhof en het terughalen dar lijkbaren gebruikt- 6 stuivers ’s jaars ontving ‘van die aelycruicen’. Daarbij tekent de uitmuntende kenner van Nijmegen’s verleden, H. D. J. van Schevichaven aan: Het oliekruis wat een gewijd kruisje dat de stervende, na ontvangst van het laatste oliesel en viaticum in de hand gegeven werd.

Wat wordt in dit verband met olie bedoeld
We spreken hier over een zuivere olijfolie met geurende balsem, ook wel chrisma geheten, die jaarlijks op Witte Donderdag wordt vernieuwd en door een bisschop wordt gewijd voor de zalving bij doopsel en vormsel, ook gebruikt bij de wijding van een bisschop, kerkgebouw, kerkklok, altaar, miskelk e.d.

Er zijn 2 symbolen van het H.Oliesel:

1.
Olijftak, over windroos. De olie wordt onttrokken aan de olijf, de windroos is het symbool voor ziekte omdat het een zo verderfelijke bloem is dat deze de lucht verpest en zo ziektes veroorzaakt bij degene die deze lucht vervolgens inademt.
2.
Olijftak, over verslapte eikentak. Is symbool van het H. Oliesel omdat hiermee de afnemende kracht van een zieke wordt verbeeld.

De priester op weg naar een ernstig zieke of stervende.

We laten eerst mevrouw van de Wijdeven- van de Akker uit het Schijndelse kerkdorp Wijbosch hierover aan ’t woord: zij schrijft in haar geheel eigen stijl over de bediening: Rond de begin jaren 1900 waren er veel oude gebruiken. Was er iemand heel ernstig ziek dan werd er de dokter bijgehaald. Die oordeelde weer of er een pastoor bij gehaald moest worden. De pastoor werd gewaarschuwd door een van de buren, telefoon was er nog niet in Wijbosch. Het gebeurde ook wel een ´s nachts, dan werd de pastoor vooraf gegaan met een olielantaarn of eentje met een kaars er in. Bij het bed van de zieke gekomen werd eerst de biecht afgenomen, als de zieke nog bij kennis was, anders maar alleen de Heilige Olie. Er werd rond het bed gebeden in de kamer of herd naargelang de zieke lag. Door de familie en buren werd er gebeden voor de stervende.

In Met Gansen Trou, een bijdrage uit nov. 1975 lezen we: De priester ging te voet naar het huis, voorafgegaan door misdienaars of de koster, die altaarbellen bij zich had. Familieleden en buurtgenoten kwamen gezamenlijk bij de stervende bidden, als de twee kaarsen waren ontstoken. Was er nog hoop voor de zieke dan gingen de mensen uit de buurt een negendaagse noveen houden. Met belangstelling werd het einde afgewacht en altijd vroeg men de stervende of hij niets meer ‘ op zich had’, zoals bijvoorbeeld een laatste wens of mogelijk een belofte die dan altijd tot uitvoering moest worden gebracht. In deze beslissende momenten, waarbij het om leven of dood ging, vreesde men het twaalfde uur; de tijd werd dan ‘verzet’. Na twaalf uur kreeg men weer hoop dat de stervende het zou overleven.

De priester, doet de hostie in een gouden hostiedoosje, de zogenaamde pyxus (ook wel bedieningsciborie of custode geheten) als hij op weg gaat om iemand te bedienen. De olie zit ook in een metalen doosje of busje. De priester draagt een witte stola, en bij het biechtmoment de paarse stola. Soms nam de priester een misdienaar als hulpje mee, deze had dan rinkelende belletjes bij zich. Kwam je op straat een priester tegen die op weg was naar een bediening dan bleef je even stil staan of je stapte af van je fiets om even later weer verder te rijden. Dit laatste kan ik me nog herinneren in de tijd dat in Boxtel naar de HBS fietste en onderweg even afstapte uit eerbied voor een priester met een hostie bij zich.

Wat staat er klaar bij een zieke die bediend wordt
Ik citeer weer uit het hiervoor genoemde oude missaal: Voor de toediening van dit Sacrament bereidt men een tafeltje, met een wit linnen doek bedekt, waarop men, tussen twee kandelaars met brandende kaarsen, een kruisbeeld plaatst, verder een schaaltje met wijwater en palmtakje, een schoteltje met 6 stukken watten, een stuk wittebrood en een glas water.

Mevrouw Annie Berkelmans-Bruinsma (1930) uit Schijndel liet me een setje van drie witte kleedjes zien dat gebruikt werd bij een bediening. Eén kleedje werd op het tafeltje gelegd met daarop de zojuist genoemde spulletjes . Na het toedienen van de zalving poetst de priester zijn vingers af met de klaargelegde watten, deze moeten hierna verbrand worden! Het tweede kleedje werd op de borst van de zieke gelegd, de functie van het derde kleedje is me niet duidelijk geworden.

Wat doet de priester bij het bedienen?
In het geraadpleegde missaal wordt nu de hele ceremonie, eigenlijk zijn het rituelen, beschreven van de toediening van het H. Oliesel. Ik zal er enkele punten uitlichten.

1.
De priester plaatst het H. Oliesel op het tafeltje, doet een paarse stola om, reikt het kruisbeeld aan de zieke, die het kust, en besproeit de zieke en al de aanwezigen met wijwater.
2.
De priester doopt zijn duim in de H. Olie en zalft de zieke achtereenvolgens op de gesloten ogen, op de oren, de neus, de gesloten mond, op de handen en de voeten, daarbij telkens voor iedere afzonderlijke zalving de sacramentele woorden uitsprekend. Met de bereidde watten droogt hij terstond de gezalfde plaatsen weer af. Hierna moeten de watten verbrand worden.
3.
De priester reinigt zijn vingers met het brood en in het water, dat men beide, na de plechtigheid, in het vuur werpt.
4.
De priester doet een witte stola om geeft de H. Hostie of ook wel genoemd de H. Communie aan de zieke en doet vervolgens zijn paarse stola weer om.
5.
Nu volgt de Pauselijke zegen met volle aflaat, dat wil zeggen: Deze neemt alle straffen weg die nog voor de zonden uit te boeten zijn en opent daardoor de poorten van de hemel.
6.
Nu volgende de gebeden voor de stervenden.

In katholieke kringen wordt aan de stervende een gewijde kaars in de hand gegeven, waarover de kerk bij het feest van Onze Lieve Vrouw Lichtmis haar zegen heeft uitgesproken. In de westelijke Kempen van België noemt men dit gebruik: de stervende uitlichten.

Ik vond een prachtige afbeelding van een bediening in een detail van het Tafelblad met de zeven hoofdzonden, een werk van Jheronimus Bosch of navolgers, 1500-1525. Het paneel bevindt zich in Madrid in het Museo Nacional del Prado.

 Als iemand bediend was, werd dit gedurende drie dagen in de kerk afgeroepen. Van Sasse van Ysselt zegt over dit gebruik dat hij leerde kennen in St.Michielsgestel en omstreken: Heeft iemand de laatste H.H. Sacramenten verzocht, dan wordt in de parochiekerk gedurende drie achtereenvolgende dagen door de dienstdoende geestelijke afgelezen: De gebeden worden verzocht voor……., die onder volle kerkelijke rechten ligt, wat echter niet alleen daar, maar in het gehele Bisdom van ´s-Hertogenbosch gebruikelijk is. In de loop van de dag gaat een der buren het ‘ten volle bediend zijn’ aanzeggen binnen een bepaalde kring, die door een overoude en vaste gewoonte getrokken is.

 

 

 

 

 

 

We hebben het steeds over een sacrament gehad, maar wat is eigenlijk een sacrament?
Sacramenten zijn tekenen van bijzondere genade, door Christus ingesteld en door de kerk nader vastgesteld in de vorm van zeven rituele handelingen elk met begeleidende taal, waardoor een specifieke zegening, wijding of genade wordt gegeven. Er zijn zeven sacramenten:

1. Doopsel
2. Vormsel
3. Biecht
4. Eucharistie
5. Priesterschap
6. Huwelijk
7. Het Heilig Oliesel

Waar komen de rituele teksten vandaan die gebruikt worden bij de toediening van de sacramenten?

Deze komen uit het Rituale Romanum.
Onder Paus V, verscheen in 1614 dit Rituale Romanum, het boek voor de riten van de sacramenten, de eucharistie wordt daarin zeer beknopt behandeld. Echter in het Liturgisch Woordenboek deel 2 uit 1965-1968 lezen we: In zijn geheel is het Rituale Romanum een verouderd boek: vanaf 1614 is het corpus eigenlijk onberoerd gelaten.Het heeft zijn verdienste gehad, maar kan in de vorm, waarin het nu nog bestaat, moeilijk de mens van onze tijd op zijn levensweg begeleiden.
Mathieu Hendriks pastoraal werker in Boxtel heeft dit hoofdstuk kritisch doorgenomen en hier en daar van commentaar voorzien. Hij gaf me tenslotte de volgende informatie over de moderne ziekenzalving.
Er zijn ook nog regels over hoe vaak iemand bedient kan worden: slechts één keer voor hetzelfde stervensgevaar; maar als dit geweken is en terugkeert, dan mag opnieuw het H. Oliesel worden toegediend. In de verzorgingshuizen wordt al jaren de gezamenlijke ziekenzalving toegediend. Dit wordt door de bewoners als heel fijn ervaren. Het geeft ze rust. Soms komt daardoor ook het gesprek met de familie op gang over wat de bewoner nog graag zou willen, soms ook wensen ten aanzien van de uitvaart. De nadruk ligt meer op het terugkijken op het geleefde leven en bedanken voor alles wat men heeft mee mogen maken. Ook een bedanken van het lichaam dat zoveel gedaan heeft in het leven. Dan komen de zintuigen weer terug. We zalven ze niet meer, maar we zeggen bijvoorbeeld wel zoiets als: we bedanken u voor het wonder van uw ogen, ze hebben naar mensen omgezien, de oren die hebben willen luisteren, de mond die bemoedigd heeft, advies gegeven, gekust. De handen die zo hard gewerkt hebben, gezorgd, gewassen en gekleed en de voeten die mensen naar anderen op weg hebben gezet. Voor kinderen en ouder is dat vaak een mooi moment, er is gelegenheid om elkaar te bedanken, soms nog dingen goed te maken, recht te zetten, sorry te zeggen. Dat geeft rust voor de stervende. Het is daarom misschien goed om een verschil te maken over hoe het vroeger ging en nu. Zo besloot Mathieu zijn bijdrage aan dit hoofdstuk.

Begrippenlijst die bij dit hoofdstuk hoort:

1. Bedienen
2. Ten volle bediend zijn
3. Ziekenzalving
4. Zeven sacramenten
5. Heilig Oliesel
6. Chrisma
7. Rituale Romanum
8. Pyxus
9. Noveen
10. Afroepen
11. Een stervende uitlichten
12. Olijftak
13. Viaticum.

Ga naar boven