Versieren (pelen) van het lijk

Hirsch schrijft hier al over in haar ‘Dodenritueel in de Nederlanden vóór 1700. Ongehuwden, jong of oud, werden in het graf versierd met ‘kransjes’, gevlochten van bloemen, groen en gouden lovertjes. Hirsch publiceert de volgende afbeelding: Jan Jansz de Stomme, Anoniem kindje, 1654. Groninger Museum. Bron: Naar het lijk, het Nederlands doodsportret 1500-heden, Teylers Museum, 1998.

In de 17de eeuw werden deze versieringen ook wel ‘hoedjes’ genoemd. Een lied hierover heet: ‘’t Hoedjes maecken’. Zo waren er ook ‘hoetjesmaecksters’, vrouwen die voor geld zulke kransen vlochten. Dit versieren van een lijk was evenwel veel ouder dan de 17de eeuw, ook de Grieken en Romeinen versierden hun doden al met kransen.

Uit Van Sasse van Ysselt: De katholieken toch versieren de lijken der kinderen, die vóór de jaren des onderscheids gestorven zijn, om aan te duiden de gelukkige en blijde staat waarin volgens hunne leer de zielen van die kinderen verkeren.

Budel: De lijken der kleine kinderen krijgen in de kist een kroontje op het hoofd en een bloemtakje in de hand en worden gelegd in watten, waarop snippertjes van goud- en zilverpapier gestrooid zijn. Dit laatste gebeurt ook wel met de lijken van volwassenen als zij van de deftige stand zijn. De lijken van ongehuwde volwassenen krijgen eveneens een kroontje op het hoofd, maar geen bloemtakje in de hand, daarin krijgen zij een rozenkrans. De andere lijken krijgen een witte muts op het hoofd. De leden der H. Familie of congregaties krijgen bovendien hunne medailles en andere insigniën mede in de kist. Even verder: kinderen zet men wel een kransje op het hoofd, dat door de vriendjes gevlochten werd of men geeft een palmtakje in de hand.

Pelen
Erp e.o.: Is het lijk een kinderlijk dan krijgt het een kroon op het hoofd en een takje van kunstbloemen in de hand; bovendien krijgt het in de kist om het hoofd en de schouders heen een boog van bloemen, terwijl de kist zelve met watten wordt opgemaakt. Het zijn de meisjes uit de buurt die het kroontje en de bloemen maken. In Erp en in Eerde worden de lijken van alle ongehuwden, hoe oud zij ook werden, op dezelfde wijze versierd. Het versieren van het lijk heet pelen, van hem die het deed wordt gezegd dat hij het lijk heeft opgepeeld. Volgens Grolman komt het woord ‘pelen’ ook voor in de Achterhoek van Gelderland.

Hier twee gepeelde kinderlijkjes, respectievelijk gefotografeerd in 1906 en 1897, en daaronder een gepeelde tweeling, gefotografeerd in 1911. Bron: Naar het lijk, het Nederlands doodsportret 1500-heden, Teylers Museum, 1998.

 

Schrijnen, deel I, heeft het over: gepeeld hebben: In Brabant hebben de buurmeisjes de avond te voren (bedoeld wordt de avond vóór de begrafenis, B.H.) in ’t sterfhuis gepeeld, dit is een kruis van groen en bloemen gemaakt, dat bij de begrafenis door kinderen wordt gedragen, gedurende de lijkdienst op de kist ligt, en naderhand het graf zal tooien.

Nu weer terug naar Van Sasse van Ysselt.

Oss e.o.: Zowel de lijken van de volwassenen als zij ongehuwd gebleven waren, als van de kinderen, worden door de jonge meisjes uit de buurt versierd ( gepeeld). De kosten van dit pelen worden door de jonge meisjes zelf betaald, zij worden daarvoor in het sterfhuis onthaald met koffie met krentenmik, beschuiten met suiker etc.

Oirschot e.o.: Het lijk krijgt dan ook, hoe oud de afgestorvene geworden was, een krans om het hoofd. Een ongehuwde, die in de kist niet zo´n krans om het hoofd zoude hebben, wordt aangezien voor iemand die geen kuise levenswandel had geleid.

Ongehuwden, jong of oud, werden in het graf versierd met kransjes, gevlochten van bloemen, groen en gouden lovertjes. Etc.

Ga naar boven