Aantrekken van het doodskleed

Cuyk e.o.: Twee dagen na het overlijden wordt het lijk gewoonlijk gekist en bij die gelegenheid voorzien van het eigenlijke doodshemd, dat over het andere hemd wordt heengetrokken en uit een lichtere en goedkopere stof bestaat; daags daarna heeft de begrafenis plaats.

Uit van Dam: Intussen had men in het sterfhuis er voor gezorgd dat het z.g. doodshemd bij de naaister besteld was en zodra dit klaar en afgeleverd was werd het lijk afgelegd, wat steeds werd opgedragen aan het hoofd van een van de armste families uit het dorp, de aflegger ontving daarvoor een geldelijke vergoeding plus het lijfgoed dat de dode bij zijn sterven droeg. Bij het opbaren van het lijk werd een busseltje stro in het hoofdeinde van de kist gelegd waarop het hoofd van de dode kwam te rusten, de kist was door de dorpstimmerman gemaakt van vurenhout en slechts een enkeling die het betalen kon en wilde, bestelde voor zijn afgestorvene een eiken hardhouten doodskist. Nadat het lijk in de kist was opgebaard werd op de borst de z.g. Zoete Naam uitgespreid, de kunstig uit zwart papier geknipte en met krullen omgeven initialen J.M.J. Bij kinderlijken was het formaat iets kleiner en de kleur van het papier hemelsblauw, het kunstproduct werd door de naaister uitgeknipt en tegelijk met het doodshemd afgeleverd. Betrof het een persoon die nooit gehuwd was geweest dan werd het lijk door meiden uit de buurt met papieren bloemen, strikjes en lintjes keurig opgesierd en was het een kinderlijkje dan mochten de schoolgaande buurmeisjes onder leiding van een paar ouderen dit werkje komen opknappen, terwijl dan na afloop al het kleine grut uit de buurt en verdere omtrek mocht komen kijken hoe mooi het gekroonde engeltje in zijn kistje lag.

Doodskleed als uitzet
Na het overlijden wordt het lijk gewassen, geschoren en over de dode heen wordt het doodskleed genaaid. De doodwade bestaat uit een onderkleed (hemd), muts, halsdoek, soms kousen en soms overkleed. Deze kleren waren de eerste die de jonge vrouw voor zich en haar man spon, later vervaardigde zij ze van linnen of katoen. Soms behoorde het doodskleed evenals de slaaplakens voor het huwelijksbed tot het uitzet of tot de huwelijksgeschenken. Deze hemden en lakens werden ter gelegenheid van het huwelijk gebruikt, daarna opgeborgen om slechts eens per jaar gewassen te worden om later als doodswade dienst te doen.

Uit Schrijnen, deel I: Een stervende mag geen kledingstuk aanhebben, waaraan op zondag genaaid is, want daarin kan hij niet sterven, maar blijft voortdurend in doodstrijd.

Even verder: Niet altijd trekt men het lijk direct de doodwade aan, maar heeft dit eerst plaats bij het kisten, wat veel in Noord-Brabant en Limburg voorkomt. Men plooit dan de lijkwade over het lijk heen, hiervoor zijn dikwijls vrouwen beschikbaar die er haar beroep van maken doodwaden te maken. Deze bestaan uit een zeker soort gaas of batist of neteldoen, dat zij kunstig plooien, afgezet met zwart lint, voor ongehuwden zalmen rood of blauw lint door het zwarte heen vlechten. Dit gebruik is gekend in Berlicum en Gemonde.

Voor jonge mannen werd de doodwade als omgeplooide das, voor jonge meisjes als halsdoek geplooid, ook plaatste men de laatste wel een kroontje of kransje op het hoofd en een rozenkrans tussen de vingers. Dit gebruik was bekend in Noord-Brabant.

In onze Oostelijke provincies spreekt men van: • Hennekleed, • Reekleed, • Reeuwkleed. Het doodskleed aandoen heet dan: verhennekleen.

Dit doodskleed werd óm het lijk genaaid, dit moest met één draad en één naald, er mochten geen knopen ontstaan. Knopen zorgen ervoor dat de ziel zich aan ’t dode lichaam bindt. En volgens het volksgeloof verhinderen deze knopen het vrije wegtrekken van de ziel van het dode lichaam. Met het gebruik van één naald en draad was het leggen van knopen uitgesloten. Dit gebruik is volgens Hirsch, ten tijde van het verschijnen van haar proefschrift 1921, nog in zwang bij Joden.

De houding van het lijk
Uit: Van Sasse van Ysselt: Men geeft aan het lijk een gestrekte houding, de armen legt men gewoonlijk langs het lichaam of men kruist ze over de borst of vouwt de handen, alsof men in biddende houding gestorven was. In de 17de eeuw was dit een algemeen gebruik, algemeen bekend zijn de afbeeldingen op de grafzerken met tegen elkaar gelegde handen. In R.K. streken legt men de rozenkrans of ´t kruis tussen de samengevouwen handen. Men draagt zorg dat de ogen en mond gesloten blijven, de ogen door ze met koperen munten te bedekken, de mond door een opgerolde doek onder de kin te leggen.

Hier een foto van een vrouw in doodskleed op haar doodsbed, met de rozenkrans tussen haar handen. Bron: Thanatos, de geschiedenis van de laatste eer, H.L. Kok.

Ga naar boven