Aanzeggen

Een sterfgeval moest natuurlijk bekend gemaakt worden, in de buurt en bij de familie. Dit ging aanvankelijk niet per post middels een rouwbrief, nee, iemand moest het sterfgeval gaan aanzeggen bij mensen die nauw gerelateerd waren aan de overledene. Het aanzeggen werd gedaan door familieleden, een buurman en ook door mensen die lijkers of aansprekers genoemd werden en deze functie was niet altijd voorbehouden aan een familielid of buurman. Bij het aanzeggen werden de mensen tevens uitgenodigd voor de rozenkrans, de uitvaart en de koffietafel. Een interessant onderdeel van dit hoofdstuk is het aanzeggen van bijen wanneer een imker was gestorven.

Ik begin dit hoofdstuk met citaten uit de publicatie van Van Sasse van Ysselt: Oude begrafenisgebruiken in Noord-Brabant.

Bokhoven: De buren zeggen het overlijden aan. Geldt het een ongehuwde, dan doen het buurjongens, elk met een met zwarte linten versierd palmtakje in de hand.

Boxmeer e.o.: Wanneer iemand is overleden dan wordt, als hij tot de hoogste stand behoort zijne begrafenis aangezegd eerst door de huisknecht en daarna door de koster. Behoort hij tot de gegoede burgerij dan geschiedt dit door de koster alleen, en behoort hij tot gene dier klassen van de maatschappij dan gebeurt zulks door de buren of wel door de leden der H. Familie of van ene Congregatie, als hij van een dier verenigingen lid was.

Cuyk e.o.: Door de lijkers wordt van het sterfgeval aanzegging gedaan aan de buren, die dan tevens, een uit elk gezin minstens, worden uitgenodigd om de rozenkrans te komen bidden. Dat bidden heeft des avonds in het sterfhuis plaats, een der lijkers bidt daarbij voor.

Eindhoven: Het overlijden wordt daar aangezegd door een aanspreker, gekleed in het zwart met een hoge hoed op, waarom ene strook crêpe gebonden is, waarvan de einden hem op de rug hangen.

Hier een zeer bekende afbeelding van twee aansprekers uit het Boxtel van 1935. Zij hebben wel een hoge hoed op, echter geen strook crêpe. In de hand houden zij een rouwkaart en een witte treurdoek. De aansprekers zijn Embertus van Roosmalen en Ties van de Langenberg, aansprekers van de eerste Boxtelse Begrafenisonderneming. Foto: Collectie Heemkundige Studiekring te Boxtel.

Erp e.o.: Zodra iemand gestorven is, gaat een der buren het ook aanzeggen alsmede de dag der begrafenis. Hij die dit doet heet de begrafenisbidder.

Den Bosch: In de stad ´s-Hertogenbosch werd vóór 1860, (dus vóórdat het stedelijk kerkhof in Orthen in gebruik werd genomen, B.H.) de aanzegging van het overlijden gedaan door bidders gekleed in het zwart en dragende op het hoofd ene grote platte steek, waarvan een lange zwarte lamfer afhing. (zie voor ‘lamfer’ het hoofdstuk over ‘rouwdracht’). Hier een aanzegger die een lijst bij zich heeft van mensen die hij moet aanzeggen en tevens uitnodigen voor de uitvaart. De afbeelding is uit het begin van de 19de eeuw. Bron: Atlas van Stolk, Rotterdam.

Thans dragen de bidders daar ene driekantige steek met afhangende lamfer. Zeggen zij ongehuwde aan, dan hebben zij aan de steek, daar waar de lamfer begint, een wit strikje en dragen zij witte handschoenen.

Hier een afbeelding van twee Amsterdamse aansprekers uit de 18 de eeuw, de Bossche bidders zouden er zo uitgezien kunnen hebben. Bron: Thanatos, de geschiedenis van de laatste eer.

De lijkbidder in ’s-Hertogenbosch. Een lijkbidder had in de stad een andere functie dan op het platteland, vandaar de nu volgende informatie uit ’s-Hertogenbosch. De gegevens haalde ik uit: Dood en begraven in ’s-Hertogenbosch, 1629-1858, van Marcel Portegies. In de regel hadden alle mensen in ’s-Hertogenbosch, rijk of arm, bij de uitvaart te maken met de lijkbidder. De bidder, een soort begrafenisondernemer, was een onmisbaar element bij begrafenissen in de stad. Hij kon alles regelen en was verplicht om de nabestaanden voor te rekenen wat de kosten van alles waren. Bij afwezigheid van de predikant leidde hij vaak de plechtigheid. De lijkbidders werden door de stadsregering aangesteld. Voor hun aanstelling betaalden zij het stadsbestuur een geldbedrag. De bidder nodigde iedereen persoonlijk voor de begrafenis uit. Hiertoe maakte de familie een lijst van de verwanten en vrienden. Hoe hoger de lijst was, hoe hoger het loon van de lijkbidder. Het minimum aantal huizen dat de bidders hoefden af te gaan was drie huizen ter weerszijden van het sterfhuis en zes daartegenover. Het maximum was meer dan de helft van de stad.

In februari 1698 besloot de stadregering dat de armen gratis door de lijkbidders geholpen moesten worden. De meer gefortuneerde Bosschenaren moesten voor de diensten van de lijkbidders betalen en het verdiende geld moesten twee bidders daags na de begrafenis bij de nabestaanden ophalen. De deftigheid van de familie van de overledene bepaalde het aantal lijkbidders. Het stond de Bosschenaren namelijk vrij om zoveel lijkbidders te nemen als zij wilden. Hoe meer lijkbidders zij namen, hoe duurder de uitvaart was. In 1632 telde ’s-Hertogenbosch drie lijkbidders. Dit aantal liep in 1858 op tot zes lijkbidders.

Tijdens de uitvaart zorgden de lijkbidders ervoor dat de rouwstoet ordelijk liep. Zij gingen in het zwart gekleed en droegen in de 1ste helft van de 19de eeuw op het hoofd een grote platte steek. Dit was een driekantige hoed waaraan een lange lamfer hing. Een lamfer was een fijn gaas. Van de lijkbidders werd verwacht dat zij altijd klaarstonden om desgewenst in actie te komen.

Nu gaan we weer verder met de gegevens van Van Sasse van Ysselt.

Tilburg: Wanneer iemand is overleden, wordt dit aangezegd door aansprekers van beroep, bidders genaamd, die een steek op hebben, waaraan een lange zwarte lamfer hangt, met een zwart of een wit strikje er aan, al naar mate de overledene gehuwd of ongehuwd was. De staat van de overledene bepaalt ook of hunne handschoenen zwart of wit zijn. Geschiedt de aanzegging door 5 aansprekers dan gaat een van hen, met een ronde hoed op met brede randen, waarvan ook een lange, zwarte sluier afhangt, midden over de straat en heeft dan een grote, witte doek in de hand ter hoogte van zijn middel, welke zolang is, dat die tot op zijne schoenen hangt.

Tongerle e.o.: Bij hunne aanzeggingen aan de buiten het dorp wonende familieleden krijgen zij van dezen ook nog koffie of spekstruif.

We kunnen concluderen dat aanzeggen gedaan wordt door: 1. De buren, 2. Buurjongens of ongetrouwde buurman bij een ongehuwde overledene, 3. Getrouwde buurman zegt aan voor een gehuwde overledene, 4. Huisknecht of koster, 5. Leden der H.Familie of van een Congregatie, 6. Lijkers, 7. Aanspreker, 8. Begrafenisbidder ofwel bidder.

Nu fragmenten uit Bernard van Dam: Oud-Brabants dorpsleven: Het lijkbidden, d.w.z. familieleden en anderen in en buiten het dorp het nieuws van het overlijden gaan aanzeggen en hen tevens op de begrafenis verzoeken, was een gebruik dat vooral door oudere mensen, hardnekkig werd aangehouden. Op de avond van de sterfdag werd door de buurt na afloop van het rozenkransgebed uitgemaakt, wie er ´s anderendaags moest lijkbidden, d.w.z. bij de familie en vrienden van de overledene de doodstijding gaan overbrengen. Al naar de uitgebreidheid van de familie en vrienden werd de omtrek verdeeld in een 4, of 5- tal routes, voor elk waarvan twee personen werden aangewezen die een lijstje met de adressen van de te bezoeken families meekregen en waarvoor in de regel liefhebbers genoeg te vinden waren vooral onder de jongeren, immers het baantje gaf een dag vrijaf met, als de familie in goeden doen was, overal tractaat. De familie had n.l. als eerste plicht de lijkbidders behoorlijk te ontvangen. Want deze mochten op hun tocht, die geheel te voet werd afgelegd en meestal een hele dag duurde, geen gebrek en vooral geen honger lijden. Daarom was het voorschrift, dat hun overal spekstruif werd aangeboden, maar aangezien zelfs een lijkbidder niet de hele dag aan het spekstruif eten kan blijven, was ook ter afwisseling een behoorlijk voorziene koffietafel welkom. Als ze het dan nog konden treffen, dat hier en daar de fles op tafel kwam en er royaal werd ingeschonken en er viel, om het feest helemaal volmaakt te doen zijn, nog een reisgeld van een paar kwartjes af, hadden de bidders een ideale tocht gehad, waarvan ze wel moe, maar overigens erg voldaan weer thuis aankwamen. Enige jaren na 1900 werd het lijkbidden meestal reeds per fiets afgewerkt en hiermede ging de echte romantiek ervan verloren.

Aanzegger met zijn fiets.

Maar nadien duurde het nog vele jaren vooraleer het vertrouwen in de postbestelling zo groot was dat het lijkbidden aan tante Pos werd overgelaten. Vooral oudere mensen bleven tot nog voor kort per se erop staan dat de doodstijding mondeling werd overgebracht. De laatste tijd is het lijkbidden zo goed als geheel afgeschaft, gewoonlijk wordt de familie per brief of briefkaart van een overlijden in kennis gesteld, terwijl ook onder de boer het gebruik van gebruikte rouwbrieven meer en meer in zwang begint te komen.

Fragmenten uit H. Grolman, Volksgebruiken bij sterven en begraven in Nederland:

Het aanzeggen: De familie maakt een lijst op van de familieleden en vrienden aan wie het overlijden bekend gemaakt moet worden en wie ter begrafenis genodigd zullen worden, die wordt genoemd: het ceel of ceduul maken.

Op de Veluwe is/was het de gewoonte dat de aanzegger ook wel leedaanzegger of -ster genaamd, een stok meenam, hiermee slaat hij of zij op de deur. Grolman zegt hierover: Dit is een oud gebruik, waarvan de betekenis reeds lang vergeten is. De aanzegger was een bode des doods, hij mocht dus niet binnen treden, hij zou ramp over het huis gebracht hebben. Hij sloeg daarom met de stok op de deur om de lieden buiten te roepen en daar het overlijden aan te zeggen. Was dit gebeurd, dan is het gevaar afgewend en kan de man binnen komen om uit te rusten en een hartversterking te gebruiken. De familie haakt dan een luik uit de hengsels.

In Zeeland, op Schouwen was vroeger een gebruik dat doet denken aan de huilebalken in een lijkstoet te ’s-Hertogenbosch. Kom ik later nog over te spreken. Grolman: Op Schouwen liep vroeger tussen de twee aansprekers in, een man met grote hoed, die met beide handen een zakdoek stijf tegen zijn ogen drukte en aanhoudend snikte. Dit doet vermoeden, dat men ook in ons land de klaagvrouwen gekend heeft, de officiële klagers der volkeren, die men in Zuid-Italië nog aantreft. Grolman schrijft dit in 1923, dus of dit heden ten dage nog het geval is, is mij niet duidelijk.

In de steden noemt men hen aansprekers, bidders, nodigers. Zij bidden, nodigen ter begrafenis.

De kleding van aanzeggers. Grolman zegt nog over de kleding van aansprekers: Hunne kleding bestond uit de gewone burgerlijke zwarte mantel en bef met grote flaphoed, waarvan lange rouwbanden van zwart crêpe afhingen. Rouwmantels en witte handschoenen ontvingen zij van het sterfhuis. Het volk noemde hen kraaien of Achillessen naar de snelheid van hun gang maar ook wel ter bespotting van hun stijve pedante houding.

De uitnodiging voor de begrafenis door de aanzeggers gebeurde ook wel met gedrukte briefjes.

Renée Hirsch: Dodenritueel in de Nederlanden vóór 1700, geeft informatie over ‘aanzeggen, de aankondiging van het sterfgeval´. Wanneer iemand gestorven was, moest zijn dood in de eerste plaats worden meegedeeld aan de bewoners van hetzelfde huis, die, wanneer zij mochten slapen, daar terstond voor gewekt moesten worden; anders kon de ziel van de slapende, die immers gedurende de slaap buiten het lichaam vertoeft, door de wegtrekkende ziel van de dode meegevoerd worden. Wekt men nu de slapende, dan kan zijn ziel nog juist bijtijds aan dit gevaar ontsnappen en naar het lichaam terugkeren. Deze gegevens komen uit een publicatie uit 1911.

Maar niet alleen de huisgenoten, ook de huisdieren dienen gewekt te worden; de dood van de baas wordt ook thans nog (er wordt bedoeld 1891, als publicatiedatum van dit gegeven, B.H.) het vee en de bijen aangezegd. Over de betekenis van het aanzeggen aan bijen zijn enige theorieën die Hirsch bespreekt in haar publicatie. Zij kan zich evenwel het beste vinden in de verklaring van A. de Cock uit het Tijdschrift voor Volkskunde uit 1891: Het zijn toch niet alleen de bijen, die men de dood van een baas aanzegt, maar ook de paarden fluistert men de droeve tijding in het oor. Dit gebruik zou zijn oorsprong kunnen hebben in de grijzen voortijd, toen alle onderhorigen van een huisgezin, hetzij mens of dier nog op gelijken voet stonden, en een gemeenschappelijke huishouding vormden; vee en bijen zijn nu eenmaal de meest gewone huisdieren; zij behoren om zo te zeggen tot de familie.

In Nijmegen had je in de 16de eeuw een zogenaamde dodenroeper, zo lezen we in Hirsch. Dit is een stedelijke beambte wiens werk het is, wanneer een lijk ter aarde besteld wordt, overluid de naam van de overledene uit te roepen, en diens ziel aan te bevelen in de gebeden der gelovigen. De dodenroeper staat voor het eerst vermeld in 1426. Wat jaren later kreeg deze dodenroeper een iets andere functie, hij kreeg er het dodenbiddersambt bij: Hij moest dus verwanten en vrienden gaan ‘bidden’, dit is nodigen om aan de begrafenis deel te nemen.

Aanzeggen aan bijen. Grolman: In streken waar men bijen houdt, kondigt men de dood van de eigenaar aan de bijen aan. De zoon van de iemker of anders een naaste bloedverwant loopt al prevelend langs de korven. Er wordt ook wel drie keer tegen de korf geklopt en zegt er een versje bij op of men zegt: ‘de baas is dood’. De korven werden ook wel op een andere plaats gezet. Als teken van rouw wordt ook wel een zwarte streep op de linkerzijde van elke korf gezet of men brengt rouwstrikjes op de korven aan. Indien de aanzegging niet heeft plaatsgehad, is men bang, dat de bijen zullen gaan zwermen en verdwijnen.

Geen ander dan de iemker kan de korf naderen zonder gestoken te worden, hij moet dus wel in bijzondere verstandhouding met zijn bijen leven, er is als het ware verwantschap tussen hen. Daarom kondigt men haar de dood van de iemker aan.

Hier een detail van een titelpagina van Den naerstigen byenhouder 1686, met het aanzeggen van de dood aan de bijen. Op dit plaatje gebeurt het zo te zien met een hoop herrie. Het is ook bekend dat de aanzegger de droevige nieuwstijding fluistert tegen de bijen: ‘De imker is dood´ of ´De baas is dood´. Soms werden er rouwstrikken om de korven gedaan.

Tot hoever ga je bij het aanzeggen? Uit interviews blijkt al dat bij het aanzeggen vooraf al bepaald is wat de buurt is, welke straten en huizen dit zijn. Heel merkwaardig eigenlijk. Als er iemand in een straat overleden is, hoever ga je dan met aanzeggen? Bij welk huis stopt het, of wordt gewoon heel de straat aangezegd?

Begrippenlijst bij dit hoofdstuk:

1. Lijkers
2. Aanspreker
3. Begrafenisbidder
4. Bidders
5. Nodigers
6. Lamfer
7. Lijkbidden
8. Ceel of Ceduul
9. Achillessen/kraaien

Ga naar boven